Skip to main content

Full text of "Wolfheze"

See other formats


OUD-WOLFHEZE, 
KERSPEL EN DORP 

EEN RECONSTRUCTIE 



ISBN 978-90-9023622-3 
NUR 684 

Uit dit werk mag - met bronvermelding - vrijelijk worden geciteerd. 

De foto's in dit werk zijn - tenzij anders vermeld - gemaakt door de auteur. 

Grafische uitvoering door Nauta en Haagen bv, Oss. 



VOORWOORD 

Tot dusver ontbreekt samenhangend onderzoek naar de nederzetting, de kerk, de parochie en 
de parochianen van Oud-Wolfheze. 

Vanaf 1893 zijn er enkele incidentele studies gedaan. 

Het eerste gepubliceerde onderzoek naar de kerk is dat van Ir. H.J.H. Groneman uit 1893. 
Zijn veldstudie staat aan de basis van onze huidige kennis over het gebouw. Echter, alle nieuwe 
kennis leidt onvermijdelijk tot nieuwe vragen. Zo ook hier. Een aantal daarvan is behandeld in 
mijn orienterend onderzoek De kerk van oud-Wolfheze ca. 1000 -1624 van voorjaar 2005. 

E.J. Demoed beschrijft kerk en dorp in zijn werk Van een groene zoom aan een vaal Meed (ca. 
1950). Zijn werk heeft de basis gelegd voor de geschiedschrijving van de gemeente Renkum 
en is een belangrijke bron voor latere onderzoekers. Het is door zijn opzet vrij globaal. 

J.P.H.T. Michiels (1995) geeft in Oud Wolfheze. De geschiedenis van een dorp aan de 
Veluwezoom een snelle scan van de kerk, hof Wolfheze en het wildforstergoed. 

Het Amsterdams Archeologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam (AAC) heeft 
fasegewijs een inventariserend veldonderzoek gedaan naar de kerk en zijn directe omgeving, 
het Stratius Rondeel en de daarbij liggende landweer, dat onlangs is beeindigd. 

Sedert 200 1 houd ik mij bezig met het middeleeuwse Wolfheze. Het onderzoek heeft geleid tot 
de uitgave van het al genoemde orienterende onderzoek en tot enkele artikelen in Schoutambt 
en Heerlijkheid, een uitgave van de Stichting voor Heemkunde in de Gemeente Renkum. 

Dit werk is een bijdrage aan de geschiedschrijving van Oud-Wolfheze. Het behandelt de 
periode tussen de jaren 1000 en 1625. 

Ik heb gekozen voor het jaar 1000 als startpunt voor dit werk om redenen die te maken hebben 
met de kerstening van en de kerkbouw langs de zuidelijke Veluwezoom. 

De keuze voor het jaar 1625 als eindpunt van dit werk ligt om twee redenen voor de hand. 
De eerste is dat de kerk - het oude Wolfheze is eerst en vooral bekend geworden door de kerk 
van hof Wolfheze - in 1624 is gesloopt. 

De andere is dat dit gebied daarna nagenoeg is ontvolkt - alhoewel die ontvolking mogelijk 
wel iets eerder in de tijd al is begonnen - en als het ware "aan de natuur is teruggegeven". 

Weliswaar draagt dit werk nieuwe kennis en inzichten aan, veel is nog onbekend of 
onduidelijk gebleven. Daar waar dat het geval was heb ik geprobeerd theorieen, alternatieven 
of beredeneerde veronderstellingen op te zetten die latere onderzoekers ten dienste zouden 
kunnen zijn. 

Zonder twijfel kan - en zal - nieuw materiaal, in confrontatie met reeds bestaande inzichten, 
leiden tot anders gerichte vragen en nieuwe, betere inzichten. 

In dit verband moet ik de lezer er op attent maken dat dit werk in produktie is gegeven voordat 
het AAC zijn eindverslag heeft gepubliceerd. 



Tot slot enkele woorden van dank en waardering. 

Allereerst aan de medewerkers van de Gelderland Bibliotheek te Arnhem voor hun tips en 

altijd vriendelijke en efficiente hulpvaardigheid. 

Ook de medewerkers van het Gelders Archief te Arnhem dank ik voor hun hulp. 

Mijn broer Dick Jansen in Renkum heeft mij met zijn inspirerende opmerkingen en kennis 
van het gebied erg geholpen. 

En, last but not least, mijn vrouw, Ad Koole. 

Dank voor je geduld als ik weer eens allerlei hypotheses ventileerde, doorbraken 

aankondigde of mijn teleurstelling uitte als die juist achterwege bleven. 

Oss, winter 2007/2008. 

Henk Jansen 



INHOUD 



Begripsbepalingen 

1 . Notities vooraf 

Gebied en bewoning. Grondeigenaren. De naam Wolfheze. Ridderlijke Duitse Orde. 
Het wildforstergoed. 

2. Kerspel en nederzetting 

1 . Parochie 

2. Nederzetting 

Agrarische samenleving. Kruispunt van wegen. Beek en sprengen. Rondeel en 
landweer. Bevolkingsomvang. Sociale structuur. Kerkelijk leven. Netwerken. 
Vetes. Oorlogen en geruchten van oorlogen. 

3 . Waarom een kerk in Wolfheze? 

1 . Inleiding 

2. Confrontatie heidendom-christendom 

3 . Ontwikkeling van de kerk 

Bouwheer. Bouw. Bouwjaar. Bouwer. Gebouw. 

4. Oorsprong en ontwikkeling 

5. Gebruik van kerk en kerkhof 

6. Organisatie en beheer van de kerk 

1 . Leenheer, leenmannen 

2. Kerkfunctionarissen 
Pastoors. Kosters. 

3 . Vermogen en inkomen 

4. Dochterkerk 

5. Kapellen 

6. Bisdom Utrecht en gereformeerde classis 

7. Betekenis van het dorp 

1 . Inleiding 

2. Akkerbouw, veeteelt, huisvlijt, handel 

8. Ondergang van dorp en kerk 

1 . Tekenen van verval 

2. De ondergang 

9. Postscriptum 
Belangrijkste bronnen 



ENKELE BEGRIPSBEPALINGEN 

Het dorp Oud-Wolfheze 

In dit werk wordt onder Oud-Wolfheze verstaan het stroomgebied van de Papiermolenbeek 
vanaf zijn bron of sprengkop tot aan de gronden van de boerderij De Kabeljauw. 
De oorsprong van de beek ligt in de destijds moerassige gebieden ten oosten van Hotel 
Wolfheze, de Swarte Colck genoemd. De Kabeljauw bevindt zich ten westen van Laag- 
Wolfheze, zie de topografische kaart 40 A. Omdat er geen bewijs is dat er ooit een (papier) 
molen aan deze beek heeft gestaan wordt de beek in dit werk de Zwarte Kolkbeek genoemd. 



Hof Wolfheze 

De hof van Wolfheze is een deel van het dorp en wel het meest westelijke deel. De hof wordt 
in het oosten begrensd door het wildforstergoed, in het westen door Rondeel en landweer, in 
het noorden door de heerwech en in het zuiden door de Zwarte Kolkbeek. 
Op de Proceskaart wordt het gebied van de hof weergegeven. 

De parochie Oud-Wolfheze 

Het kerspel Wolfheze wordt beschreven in hoofdstuk 2. 

Vanaf medio 16 e eeuw wordt de naam Wolfheze in de kerspelaanduidingen minder vaak en 

minder prominent gebruikt. Desondanks blijft in dit werk de oude parochienaam gehanteerd. 



im®M'. 




UITSNEDE VAN TOPOGRAFISCHE KAART 40A MET DAAROP AANGEGEVEN 
DE BELANGRIJKSTE IN DIT WERK VOORKOMENDE VELD- EN BOUWWERKEN 

© WILDFORSTER HOEVE 
® ZWARTE KOLK 



® KERK HEELSUM 

© BEEKOVERGANG NOORDZUIDWEG 

© LANDWEER 

© RONDEEL 

© KOUSENHUISJE 

© LOCATIE RUINE WOLFHEZER KERK 



© KASTEEL DOORWERTH 

® LOCATIE KAPEL DOORWERTH 

® KERK OOSTERBEEK 



Veluwezoom 

Tenzij anders vermeld wordt met Veluwezoom bedoeld de zuidzijde van de Veluwe tussen 
Arnhem en Wageningen. Praktisch gesproken gaat het vooral om het gehele zuidelijke gebied 
van de Gemeente Renkum. 

Kerk en kapel 

Snel gezegd is een kapel (capella) een plaats om te bidden, maar zonder de rechten van een 
parochiekerk. Een parochiekerk (ecclesia) is een plek waar de sacramenten mogen worden 
bediend. Sporadisch is een kapel groter, mooier dan een kerk. 

Tijdsindeling 

De Middeleeuwen beslaan de periode tussen de jaren 500 en 1500 en worden globaal 
onderverdeeld in de volgende tijdvakken: 

Vroeg 500 - 800 

Vol 800 - 1300 



Laat 1300 - 1500 



Vanaf 1500 wordt gesproken van de Nieuwe Tijd. 

De eerstbekende vermelding van Wolfheze in de archieven dateert uit 1333. 



1. NOTITIES VOORAF 

Gebied en bewoning 

Het gebied is altijd een aantrekkelijke habitat geweest voor mens en dier. 

• Prehistorie 

Uit de prehistorie dateren de grafheuvels in Oud -Wolfheze. Niet alle grafheuvels zijn nu nog 

in het veld waarneembaar: flora en fauna hebben hun tol geeist. Maar ook de mens heeft zich 

niet onbetuigd gelaten: de grafheuvels onderaan de Heelsumse weg zijn - waarschijnlijk bij 

de aanleg van de snelweg A50 - verdwenen. Anderen zijn verstoord dan wel vernield door 

"schatzoekers". 

Het merendeel van de nu bekende tumuli ligt ten noorden van de Zwarte Kolkbeek, d.w.z. op 
de zuidhelling van de sandr 1 , waar men het best van de zon kan profiteren. Twee tumuli liggen 
aan de zuidkant van de beek, iets ten oosten van hotel Wolfheze, nabij de Bilderberglaan. 




Mf*J(f« 



SANDR EN STUWWAL 

De schets toont de lokatie van Oud- Wolfheze op de zuidgrens van de sandr. De spoelzandvlakte 

wordt daar begrensd door het beekdal en aan de zuidzijde van het beekdal verrijst de stuwwal. 

Bron: Nieuwsbrief Zuid-Veluwse beken, januari 2003 nr. 1, Waterschap Vallei Eem. 

• Romeinse Tijd 

Zeer waarschijnlijk zijn de Romeinen actief geweest in het gebied, al was het maar om er te 
jagen, hout te kappen, te patrouilleren of om handel te drijven met de bevolking. Maar er is 
geen bewijs dat ze zich in Oud - Wolfheze of omgeving (semi-)permanent zouden hebben 
gevestigd. Desondanks is de bevolking zeker beinvloed geweest door de Romeinen, b.v. in het 
gebruik van werktuigen. 

• Laatheidense - vroegchristelijke tijd 

Het gebied is in deze periode - en wellicht al eerder - bewoond 2 . 

Bewijs komt uit een archeologisch onderzoek dat de Oosterbeekse ingenieur Groneman in 
1893 deed naar de Wolfhezer kerk. Als de verschillende door hem gedateerde voorwerpen - 2 1 
in totaal - in tijdvakken worden gerubriceerd ontstaat het volgende beeld: 



DATERING 


VOORWERPEN 


BIJDRAGE 


CUMULATIEF 




(1) 


TIJDVAK 




Prehistoric en 


59 






Romeinse tijd 


17,18,48 


4 vondsten = 19% 


19% 


8 e - 10 e eeuw 


47a 






9 e -10 e eeuw 


31 






> 10 e eeuw 


53 






ca.jaar 1000 


1 






7 e - 12 e eeuw 


33,37 


6 vondsten = 29% 


48% 


IP - 13 e eeuw 


36,54 






14 e - 15 e eeuw 


38,39,40,41 






Middeleeuwen 


18a, 18b, 47b 


9 vondsten = 43% 


90% 


Latere tijd 


56 






Begin 17 e eeuw 


60 


2 vondsten = 10% 


100% 



(1) Vondstnummering door Groneman. 

Bijna 50% van de vondsten dateert van voor het jaar 1000. Dat is, mede gelet op de factor 
tijd, een hoge score. Daarnaast valt op dat negen van deze dateringen huishoudelijke 
gebruiksvoorwerpen (33, 36, 37, 38-41, 47a, 47b) betreffen en een ervan een sieraad (31) 
is. Holwerda meldt op 02-09-1904 en 03-10-1904 de vondst van enig vaatwerk onder de 
bouwvallen van het kapelletje op de Wolfhezensche hei dat hij dateert op niet vroeger dan de 
achtste of negende eeuw. In zijn verslag vermeldt hij ook dat anderen soortgelijk vaatwerk 
hebben gevonden in enkele grafheuvels ten noorden van de kerkruine. Heidinga vindt een munt 
vermoedelijk uit de 12 e eeuw, blijkens de Veluwepost van 19-07-2002, pag. 23. Opvallend is 
dat Groneman geen melding maakt van muntvondsten en dat lijkt vreemd, weinig, voor (het 
gebied van) een kerkruine. 

Het heeft er dus alle schijn van dat de plek waar de kerk is gebouwd reeds voor het jaar 1000 
in gebruik is geweest. 

Grondeigenaren 

Onbekend is wie tot in de Late Middeleeuwen de eigenaren zijn van het gebied van Wolfheze. 
Vermoedelijk heeft het behoord aan het bekende geslacht Hamaland. Deze familie heeft in de 
Vroege en het eerste deel van de Voile Middeleeuwen uitgebreide goederen en rechten in de 
noordelijke Lage Landen. Heidinga vermoedt dat (o.a) de gehele Veluwe aan Hamaland heeft 
behoord, althans tot aan de 10 e eeuw. 

Voor wat de Veluwezoom betreft is het zeker dat Renkum (of een deel ervan) er toe heeft 
behoord en waarschijnlijk ook het gebied van de Duno-schans. Volgens Verkerk is de 
Oosterbeekse hoeve de Dusinckhof van de heren van Gelre wellicht te identificeren met het 
oorspronkelijke bezit van Adela van Hamaland, het latere landgoed de Duno. Zegt Heidinga 
dat het zwaartepunt van Hamaland 's Veluwse goederen in de 10 e eeuw langs de Veluwezoom 
heeft gelegen, Stern meent dat in de 1 l e eeuw in het zuidelijke deel van de Veluwe de meeste 
allodiale goederen van de familie liggen. 

Omstreeks het jaar 1000 is Adela van Hamaland de meest op de voorgrond tredende figuur 
in haar familie als ook op de Veluwe en in de Achterhoek. Zij wordt door sommige auteurs 
aangeduid als gravin of gravin van Hamaland, vaker wordt zij genoemd zonder enige 
titulatuur. 



10 



De mannen rondom Adela hebben grafelijke rechten op de Veluwe. Haar eerste man Immed 
wordt door verschillende schrijvers verschillend betiteld: graaf in Renkum, graaf in het 
Utrechtse bisdom, graaf op de Veluwe en graaf kings de Veluwezoom, graaf van Teisterbant en 
Renkum ofRedichem. 

Haar oudste zoon Dirk wordt genoemd graaf langs de Veluwezoom en haar tweede echtgenoot, 

Balderik, is volgens Heidinga graaf van Veluwe geweest. 

Heidinga zegt dat Meinwerc, Adela 's tweede zoon, ook graaf van Veluwe is geweest. 

Deze Meinwerc is bisschop van Paderborn geweest (1009 -1036). Van Winter meent dat onder 

zijn invloed in de winter van 1026/1027 Bernold tot bisschop van Utrecht (werd) benoemd, 

die naar ik vermoed de hofkapelaan van Meinwercs moeder Adela in Oosterbeek was 3 . 

Adela overlijdt rond 1020. Daarna vallen - onder onbekende omstandigheden - delen van 
het reeds geruime tijd afkalvende familiale goederenbestand toe aan de Veluwe, het bisdom 
Utrecht. Dat beleent de Veluwe aan de hertogen van Brabant en deze geven het gebied - zonder 
eerst de bisschop te informeren - in achterleen aan de graven van Gelre. Als de Brabantse 
hertog in 1 185 niet naar de bisschop in Utrecht komt om het Veluwse leen te verheffen wordt 
het verbeurd verklaard. Het gevolg is een reeks van verwikkelingen, inclusief strijd tussen 
Gelre en Holland. 

Doorwerth en een deel van Oosterbeek maken geen deel uit van deze beleningen. In 1203 staat 
Otto van Gelre zijn allodium in Oosterbeek dat hij in leen heeft, af aan Hendrik van Brabant. 
In de 14 e eeuw wordt gesproken over dleen van Meghen van Oesterbeke met den berghe ende 
met sinen toebehoirten* . 

Op 1 7 maart 1311 leent de Utrechtse bisschop de Veluwe en andere goederen aan de graaf van 
Gelre, waardoor deze dus van achterleenman wordt "opgewaardeerd" tot leenman 5 . De reden 
voor deze verandering is dat die hertoch van Brabant sijn leen dairaen versuympt heeft 6 . Delen 
van de Veluwe vallen aanvankelijk niet onder de graven en hertogen van Gelre. Het halve 
gericht te Oosterbeek wordt op 18 maart 1342 door hertog Reinald aangekocht. 

De naam Wolfheze 

De oudheid en de oorsprong van de naam zijn onbekend. In deze paragraaf worden daarover 
enkele opmerkingen gemaakt en worden notities gemaakt bij de overheersende mening dat 
de naam verwijst naar het dier, waarvan er vele in Wolfheze zouden zijn geweest en het woord 
heze, dat zou staan voor struikgewas, geboomte. 

• Oudheid 

Het gebied van Oud- Wolfheze is al in de 8 e eeuw bewoond, heeft vanaf de 1 l e eeuw een stenen 

kerk, maar de naam komt pas voor het eerst voor in een archiefstuk uit 1333. 

Heel anders is dat met enkele omliggende plaatsen, die al in vroeg-christelijke tijden worden 
genoemd: Oosterbeek in 834, Arnhem voor 893, Seelbeek in 893 en Renkum in 970 en 996. 

Omdat a) het gebied van Oud - Wolfheze al in de 8 e eeuw is bewoond en b) omliggende 
plaatsen al in de 9 e en 10 e eeuw in archiefstukken voorkomen, kan worden verondersteld dat 
de naam Wolfheze uit vroegchristelijke tijden of eerder dateert. 

Een andere redenering ondersteunt deze aanname: 

In de 9 e eeuw is of wordt de bevolking, althans de sociale top ervan, gekerstend. Volgens 
Timmers is de wolf in de Middeleeuwen bij christenen bepaald niet geliefd. Hij wijst op 
Johannes 10:1 1, 12 waar Jezus als goede herder zijn kudde beschermt tegen de wolf, en zegt 



11 



dat Christus de satan vergelijkt met een wolf: als de huurling de wolf ziet komen om de 
schapen te roven, laat hij zijn kudde in de steek en vlucht. De wolf is het symbool van allerlei 
ondeugden: van de toorn, want hij is prikkelbaar, van de vraat- en roofzucht, van de ketterij, 
die de kerk van haar schapen berooft 7 . 

Als christenen de naam Wolfheze niet zouden hebben bedacht voor hun woonplek, moet de 
naam van de voorchristelijke - de Germaanse - tijd dateren. Tenzij zij de naam hebben gebruikt 
als aanduiding voor een gevaarlijk, "heidens" oord in de omgeving. Bij de ongekerstende 
Germanen en de vroege christenen wordt de wolf vereerd, totdat Karel de Grote zijn strijd 
tegen de heidenen combineert met de strijd tegen de wolf. In de Vroege Middeleeuwen beelden 
christelijke heiligen de heidense demonen vaak uit als wolven. Paus Gelasius (1118-1119) 
verbiedt de luperkalen (wolvefeesten), die nog niet geheel buiten gebruik zijn gesteld. 
In de reformatie periode wordt de tegenstelling schaap - wolf weer actueel. De katholieken 
zijn de schapen die zich bedreigd voelen door de protestanten, de wolven. 

Tenslotte wordt in dit verband gewezen op wat Van Slichtenhorst opmerkt over hees-namen. 
Hij zegt dat deze, waaronder Heesch (N.B.,), hun afkomst schynen gehaelt te hebben van den 
Af-god Hees, welken die Fransse (Frankische) en Duytssers (Germaanse) in de Heydensse 
tijden met groote eerbiedigheyd plaghten te vyeren, ende sijn outer met menschen bloed te 
besprenghen. Te meer, vermits onse voorouders, na de leer van Tacitus en andere Schrijvers, 
de wouden voor hunnen Afgoden hadden geheylight, noch de zelve in kerken maer in de 
eenzaeme bossen aanbaden; ende over zulx niet onwaerschijnlijk en is, den Afgod Hees in het 
dorp Hees te zijn ge-eerd geweesd, daer men voor zeker weet wel eer een dick bos gestaen te 
hebben. 
Hij bedoelt hoogstwaarschijnlijk de god Hesus of Esus. 

• Herkomst 

Heldring, Oltmans, Demoed, van Dolderen en Erkens menen dat wolf in Wolfheze verwijst 

naar het dier, maar Michiels en Van Berkel denken dat wolf ook een persoon kan betreffen. 

Al deze schrijvers menen dat hees betekent struikgewas, kreupelhout en geen van hen 
behandelt de samenvoeging van de beide delen in een plaatsnaam. Niet alleen gaan zij dus 
voorbij aan hees als heidense god, ook laten zij onbesproken dat het wel vreemd is dat - waar 
hees in hun opvatting voor geboomte, struikgewas staat - er zo weinig hees-namen op de 
Veluwe voorkomen. 

Om enige ordening aan te brengen in de verschillende mogelijkheden worden de volgende 
stellingen doorgenomen: 

> Wolfheze is naar het dier genoemd 

> Wolfheze is naar een persoon genoemd 

> Hees betekent struikgewas 

en worden notities geplaatst bij de combinatie van wolf en hees in de plaatsnaam Wolfheze. 

> Wolfheze: hees van de wolf? 

Het dier komt voor als wolf in het oud- en nieuwhoogduits, het oudsaksisch en het oudfries, 
als widf in het oudsaksisch en angelsaksisch, als ulfr in het oudnederlands, en als wulfs in 
het gotisch. Ook wordt wel gezegd dat wolf afstamt van het oudgotische werkwoord vilvan 
(roven). 



12 



Nu is het in Nederland altijd ongebruikelijk geweest plaatsen te noemen naar de namen van in 
het wild levende dieren. Van de ca. 5500 door Van Berkel onderzochte plaatsnamen is slechts 
bijna 0,5% met enige mate van zekerheid op een wild dier terug te voeren. De frequentie van 
het gebruik van wolf als diernaam is bij hem vrijwel 0%, en de verwijzing naar wolven in 
Veluwse plaatsnamen komt bij Van Berkel niet voor. Enkele keren merkt hij op dat wolf in 
een plaatsnaam zowel op het dier als op een persoon kan wijzen. Otten meent dat de meeste 
Veluwse wolf-namen herinneren aan het dier. Hij noemt Wolfsdel, Wolfsheg, Wolfskuil en 
Wolfswaard, namen die Van Berkel niet opneemt. 

Hoe dan ook, het is opmerkelijk dat er relatief zo weinig wolf-namen op de Veluwe 
voorkomen. 

Enkele van de genoemde schrijvers menen dat in het gebied van Wolfheze grote roedels 
wolven zijn geweest. Zo zegt Heldring dat de bossen van Wolfheze door tallooze wolven 
bewoond zijn, en van de Poll 8 spreekt over een ware landplaag. 

Ecologisch bezien kan dat niet 9 . 

De wolf is een hardnekkige jager die zijn prooi over vele tientallen - tot soms wel 100 - 
kilometers achtervolgt. In gebieden waar de prooien verspreid zijn, kan het territorium van de 
wolf 400 km 2 bedragen. 

Om de veronderstelde grote wolfpopulatie in Wolfheze te voeden, zou in het gebied langdurig 
meer wildprooi moeten zijn geweest dan elders op de Veluwe, maar dat kan alleen maar uiterst 
incidenteel en kortdurend zijn voorgekomen. De roedels bij Wolfheze zouden zich dus vooral 
hebben moeten voeden met huisdieren, maar dat leidt tot de bizarre consequenties dat: 

• de zeer weinige, arme Wolfhezer zandboeren meer onbeschermd vee moeten hebben gehad 
en beter in staat moeten zijn geweest hun levende have op peil te houden - ondanks de wolven 
- dan boeren elders op de Veluwe. 

• de veestapel (zeer) omvangrijk moet zijn geweest. 

• de wolf in het gebied van Wolfheze veel minder concurrentie moet hebben gehad van andere 
vleeseters dan elders op de Veluwe. 

De wolfdichtheid op de Veluwe kan door de tijden heen niet hoog zijn geweest, al kunnen er 
incidenteel relatief veel wolven zijn geweest. In de 1970-er jaren is een plan ontwikkeld om 
het dier te herintroduceren op de Veluwe, samen met de lynx, op grond van de berekening 
dat 67 wolven zich er in leven zouden kunnen houden, mits de jacht op prooidieren zou 
worden gestopt. Het plan is niet uitgevoerd, maar de berekening zegt iets over de ratio's tussen 
gebiedsoppervlak, beschikbare prooi en competitie om de prooi: een wolf per ca. 30 km 2 , mits 
er voldoende prooi is, in een gebied overigens dat veel intensiever wordt gebruikt en minder 
prooi heeft dan 1000 jaar geleden 10 . 

De gezonde wolf mijdt de mens, maar leeft blijkens recente studies in toenemende mate ook 
dicht bij de mens 11 . Het dier is incidenteel gevaarlijk, b.v. in bijzonder strenge winters, of in 
tijden van de pest, als er, vooral in de steden, een lijklucht hangt. In de Late Middeleeuwen 
krijgt het dier hondsdolheid, waardoor het zeer agressief wordt en de mens kan verwonden 12 . 
De onbehandelde bijtwond leidt bij de mens binnen enkele dagen na het begin van de ziekte 
tot de dood. 

De wolvenjachten die vanaf de Late Middeleeuwen tot in de 18 e eeuw zijn gehouden, zijn 
vrijwel alle onnodig om het veronderstelde gevaar van het dier te beperken. Heel vaak 
leveren de drijfjachten niets of weinig op 13 . Vaak worden ze gehouden om het vermaak en 
omdat de (gelooide) huid van het dier gewild is voor de vervaardiging van trommelvellen en 



13 



handschoenen. Op het platteland neemt de angst voor het dier mythische vormen aan. Zelfs 
Oltmans ontkomt er anno 1923 niet aan. Soms is men bang de naam van het dier uit te spreken, 
en zo ontstaat het gezegde "als men van den wolf spreekt, dan ziet men al zijn staart". 

Ondanks al deze overwegingen kan de naam Wolfheze verwijzen naar het dier. 

Maar, als dat zo is, dan juist omdat er zo weinig van waren in het gebied. Immers, een naam 

dient ter onderscheiding, en hoe zou dat mogelijk zijn als het gebied vergeven is van de 

wolven? 

> Wolfheze: hees van De Wolf? 

Michiels en Van Berkel menen dat wolf ook een persoon kan betreffen. 
De vernoeming van personen in plaatsnamen is in Nederland steeds gebruikelijk geweest, ca. 
10% van de door Van Berkel onderzochte plaatsnamen. Dit, gevoegd bij de onzekerheid dat 
Wolfheze naar het dier is vernoemd, leidt tot de gedachte dat Wolfheze naar een persoon kan 
zijn genoemd. Welke persoon? De missionaris Wulfram (ca. 647-704 of 720)? Hij was in deze 
contreien, en kon zijn (Germaanse!) naam nog dragen, want Karel de Grote had het nog niet 
kunnen verbieden. 

> Hees, heze 

Over het hees in de naam Wolfheze zijn de verschillende schrijvers het eens: het moet jong 
beukenbos, later struikgewas, kreupelhout hebben betekend. 

Hees is waarschijnlijk afkomstig van het Germaanse hasi, en is een lastig woord. Van Veen 14 
somt enkele hees-varianten op, maar zegt dat het verband ertussen niet duidelijk is. Van het 
woord heester zegt hij dat het eerste lid heisi is in oudhoogduits, hese in oudengels, hesi en 
hezia (beide betekenend kreupelhout) in oudnederlands. De beide laatste zijn volgens hem 
verwant met middeleeuwslatijn hesa, hesia en haesia, die alle drie omheining, omheind bos 
en kreupelhout betekenen. 

Is er verwantschap tussen hees en heide? Het oudsaksische woord hetha is heide, 
middelnederlands heide, hede en in oudengels ha;5 (engels heath). Het Nederlandse heet ligt 
dicht bij hetha en heath. Hees(ch)-namen komen weinig voor in Nederland (< 1% bij Van 
Berkel). 

Hoe dan ook, het woord hees is - evenals wolf- afkomstig uit Germaanse tijden. 

Maar vreemd is dat er op de Veluwe - gegeven de betekenissen van het woord hees - zo weinig 

hees-namen zijn geweest. 

Omdat het niet zeker is dat hees in Wolfheze struikgewas betekent, komt een andere 
veronderstelling in beeld. Is het een verbastering van het oudsaksische woord hes (hers), paard? 
Het paard was een voor Germanen heilig dier, de verering ervan had met vruchtbaarheid te 
maken, en het paard is het offerdier voor Wodan. 

> De combinatie wolf en hees 

Een plaats- of streeknaam dient om onderscheid aan te brengen met de omgeving. Daarbij zal 
vaak gelden dat niet het gewone, maar het bijzondere de aandacht trekt. Als hees = struikgewas 
in de naam Wolfheze, moet wolf het onderscheidende deel zijn van de naam. Als wolf het dier 
is, dan moet direct een voorwaarde worden verbonden aan de combinatie: er moeten weinig 
wolven zijn geweest, veeleer een enkele eenzame wolf. 

Ulf-hithi - schuilplaats van een wolf- zou dan een voorloper van Wolfheze kunnen zijn. 



14 



Is wolf echter een persoon, dan zijn in de veldnaam Wolfheze zijn erf en huis de onderscheidende 

elementen, en hees kan dan omheining betekenen. Opnieuw geldt: er zijn alleen maar 

redeneringen. 

En veronderstellingen, zoals: 

Kan de naam een verbastering zijn van Wolf's es, het bouwland van Wolf, Wulf, Ulf? {es = 

esc = aski, Germaans) of een combinatie zijn van wold (oudnederlands voor moerassig bos) 

en fahsa (taaie grassoort)? Dichtbij ulf ligt ulve, hulf en hulfr voor resp. een verdwenen 

boomsoort, steekpalm en hulst, kan de naam Wolfheze daarop terug te voeren zijn? 

Wolfshaister? Haister. menigte van heysters, eyken, struycken (vergelijk Heysterbach voor 

Oosterbeek). 

Kortom: betekent Wolfheze echt het wolvenbos? 

Er pleit meer tegen dan voor: wolf kan naar een boom verwijzen, de kans dat het naar een 
persoon verwijst is veel groter dan dat het naar het dier verwijst en er zijn andere woorden 
denkbaar waarvan de naam Wolfheze kan zijn afgeleid. Hees kan ook staan voor een god, voor 
heide en omheining, en kan een verbastering zijn van es, hes en fahsa. 

• Spellingen 

Voor zover uit de archieven blijkt, zijn er sinds 1333 geen wezenlijke veranderingen in de 

naam van het dorp geweest 15 : 



l\/u!flieseri 


Wolffhgzen 


WoLfViees 


(MftAeei 


ix) OAiMiexAan- 


WeffKeefsom 


WoetAeeCsoMt 


WolfA&ien 


Wolfhezen 


Wolfheze 



DORPSNAMEN DOOR DE EEUWEN 

Het is echter niet bij voorbaat uitgesloten dat Wolfheze in nog vroegere tijden een andere 
benaming heeft gehad. Kan Wolfhartum een "voorloper-naam" van Wolfheze zijn? 
Har of hart staat voor harde zandgrond, heide. Um oiheem, hem staat nogal eens aan het einde 
van een nederzettingnaam (Arnhem, Heelsum, Renkum, Bennekom). 

De Ridderlijke Duitse Orde Balije van Utrecht (RDO) 16 

Hof Wolfheze is lange tijd een leenbezit geweest van de RDO. 

De RDO is een broederschap - voluit genaamd Broeders van het hospitaal van onze Lieve 
Vrouwe der Duitsers - die tijdens de 3 e kruistocht (1 189-1 192) in Palestina wordt opgericht 
als, naar de overlevering, onder het zeil van een koggeschip een veldhospitaal wordt ingericht. 
Hier krijgen zieke en gewonde duitstalige kruisvaarders medische verzorging en geestelijke 
bij stand. In 1199 wordt de hospitaalorde door de paus als militaire ridderorde erkend. Het 
latere huis van de orde in Acco wordt in 1 29 1 verwoest en de orde trekt zich terug naar Europa 
in de aldaar verworven bezittingen die over een groot deel van Europa verspreid liggen. 
Bij de belegering van Damiate in 1218 zijn veel Nederlandse kruisvaarders betrokken. 
Sommigen van hen raken zo onder de indruk van het werk van de orde dat zij gronden en 
huizen aan de orde schenken als die zich rond 1230 in Utrecht vestigt. De ridders Adolf Van 
den Berg en Sweder Van Dingede doen dat als eerste als zij in 1218 een landgoed bij Dieren en 
landerijen bij Schalkwijk schenken. Later volgen nog meer schenkingen, wellicht ook uitgelokt 
door de pausen, die dergelijke schenkingen als gunstig voor het zieleheil aanmerken. 
Op veertien grotere landgoederen met kerken worden commanderijen ingesteld, die in 1231 
worden gegroepeerd in de Balije van Utrecht, die de hoofdzetel heeft in de stad, waar de 



15 



landcommandeur zetelt. Wellicht is de term "balije" overgenomen van de kerk die in 1265 
Europa heeft ingedeeld in inzamelingsgebieden, balivia of balijen. De oudste commanderij is 
die van Dieren (1218). 





WAPENSCH1LD EN BORSTKRUIS VAN DE ORDE 
Bron: Ridderlijke Duitse Orde. 

Tot de bezittingen in Wolfheze behoort lange tijd geen kerk en dat is mogelijk de belangrijkste 
reden waarom toen en daar geen commandeurschap is gevestigd. De transacties betreffende 
goederen in Wolfheze zijn daarom steeds met de landcommandeur in Utrecht afgewikkeld. 
In 1581 zweren de Staten Philips II af en zij beschikken dan over de roomse geestelijke 
instellingen. De Balije mag blijven bestaan op voorwaarde dat de leden protestant worden. 
Dat gebeurt in 1637 en daarmee wordt de orde een wereldlijke adelscorporatie. 
De commanderij en raken door de reformatie in verval en worden in de 17 e en 18 e eeuw 
geleidelijk ontmanteld. In 1807 wordt het Duitse Huis in Utrecht door Lodewijk Napoleon 
geconfisqueerd, in 1809 wordt de Duitse Orde in alle staten van de Rijnbond door Napoleon 
opgeheven en in 1810 moet de Balije afstand doen van al haar goederen. Op 8 augustus 1815 
wordt de Balije van Utrecht in ere hersteld en toegankelijk gemaakt voor een selecte groep van 
mannen van protestants-christelijke, adellijke huize. 
De Balije zet thans de charitatieve traditie uit de begintijd voort. 

Het wlldforstergoed 17 

In dit werk komt het Wolfhezer wildforstergoed ter sprake. Het heeft niet tot de parochie maar 
wel tot het dorp van Wolfheze behoord. Hieronder een kort expose van een dergelijk goed. 

Het wildforsterambt stamt volgens Hacke uit het Karolingische jachtrecht. De wildforsters 

spelen een rol bij de implementatie en handhaving van regels betreffende de jacht op grof 

wild in bossen en ongecultiveerde gronden, maar hun ambt kan volgens haar ouder zijn dan 

het jagersambt. 

Zoals in hoofdstuk 1 vermeld leent de Utrechtse bisschop op 17 maart 1311 de Veluwe en 

andere goederen aan graaf Reinold van Gelre; het Veluwse wildforsterambt dateert uit de tijd 

dat Reinold zich de onbeheerde wildernissen toeeigent. 

Echter, delen van de Veluwe - hoven, horige goederen, sommige buurtschappen - vallen niet 

onder de graaf van Gelre. Daarvan komen enkele - Putten, een deel van Oosterbeek, Velp en 

Hoevelaken - in de loop van de 14 e eeuw in het bezit van Gelre 's graven. 

Zij bedrijven de jacht en laten hun eigenhorigen de akkers bebouwen. De horigen moeten hun 

overschotten, d.w.z. hun oogsten minus dat wat zij voor eigen levensonderhoud nodig hebben, 

in de schuren van hun heer afleveren. Later, als de horigheid verdwijnt, krijgen zij de akkers 

tegen een jaarlijkse tyns in gebruik. 

De wildforsters zijn vrije lieden en moeten geen andere lasten betalen dan die welke ook 
door edelen en steden worden betaald. Dit houdt in dat zij zijn vrijgesteld van zulke gewone 
diensten als b.v. de huisvesting van ruiters en knechten, de pondschatting en het maken van 
wegen. Wel moeten zij de buitengewone diensten betalen, de schattingen of beden. Van Winter 
beschrijft het wildforsterschap als volgt: een tamelijk ondergeschikte functie, voornamelijk 



16 



bestaande uit toezicht op de bossen en op de wildstand, en dienst aan de graaf wanneer hij 

gingjagen. 

Schimmelpenninck van der Oije meent dat de wildforsters noch met schattingen, noch met 

beleeningen mochten bezwaard worden, tenzij dat Ridderschap en steeden daartoe mede 

contribueerden, maar deze regeling geldt wellicht pas vanaf 1549 als de landvoogdes bij 
ordonnantie bepaalt dat de wildfursters van Veluwe ten aanzien van de schattingen worden 
gelijkgesteld met ridderschap en steden. 

Aan de bedienaars van een wildforstergoed wordt een landgoed ter beschikking gesteld; de 
bediening - en daarmee het landgoed - is vervreemdbaar. De wildforsters worden geacht om op 
bevel van de jachtmeester, eventueel met verlating van huis of akker en ploeg, kar en paard ter 
beschikking te houden van vorstelijk jachtgezelschap voor het vervoer van jachtgereedschap 
en het geschoten of gevangen wild. 

Elk wildforstergoed heeft een jachthuis. Kortom, de heer is vrijwel overal op de Veluwe 
verzekerd van vervoer en pension. Als vergoeding daarvoor krijgen de wildforsters landerijen 
in leen. 

Verspreid over de Veluwe zijn meerdere wiltfursterampten. De heer Van Middachten heeft 
vanaf 1340 gedurende eeuwen het Overste Wildfurster ambt op de Veluwe bekleed. 
De wildforsterijen zijn niet alle exact gei'dentificeerd en/of gelokaliseerd. Wellicht is er in de 
loop der eeuwen niet steeds een vast aantal geweest - enkele auteurs menen dat er twaalf zijn 
geweest, Van Winter telt er dertien - en er zullen ook wisselingen in het bestand zijn geweest. 

Deze auteur heeft negentien wildforsterijen geteld. Echter, soms zijn wildforstergoederen 
gesplitst of juist samengevoegd zonder dat dit tot naamsveranderingen heeft geleid. 

Het Wolfhezer wildforstergoed wordt vanaf 1366 ingericht, getuige onderstaand dokument. 

HERVELT. 
Die thienden van den Hoeweerden, met den raedtthiende tot 

Hervelt, groot ende cleyn, met heuren tobehoren, woe die gelegen 
sijn; item die Schaepswaeren tot Hervelt; item tot Renwick twee 
stuxken landt, haldende omtrent vijff hont; item dat thiendeken 
in der Hetersche straet; item vijff mergen landts, gelegen tot 
Dryel bij Henricks huys van der Mergelinch; item uut Balgoys 
landt ter Nevel 4 pond allejaer; item dat overstuck landts achter 
Hubert des veren huys gelegen; item ongeveer een mergen 
landts op Nevelrevelt; item die Schaepswaeren in der Taelmont; 
item 20 hoener te Meynerswick; item den pacht opter Praest 
an Kelman; an Grieten Hermans hoffstat ende an een ander 
hofstat; item dat landt dat Otto van Ommeren te hebben plach; 
item dat stuck lants tot Elden op den Oort; item een halven 
mergen landts in Elderweyde; een stuck landts, geheiten des 
Greven camp; een stuck landts in Eldermaet an Huessener 
seghe; een wiltfurstergoet in Veluwe, tot een erflicken leen, tot 
Zutphenschen leenrechte, gegeven van hertog Edouard an 

Arnt van der Lauwick Arntssoon, a°. 1366 

BELENING VAN EEN WILDFORSTERGOED IN VELUWE AAN 

ARNT VAN DER LAUWICK IN 1366 

In separaat onderzoek door de auteur is bewezen dat met het hier genoemde wildforstergoed de 

Wolfhezer wildforsterij wordt bedoeld. Bron: Register op de Leenaktenboeken uit het Vorstendom 

Gelre en Graafschap Zutphen. Het kwartier van Nijmegen. 



17 



NOTEN HOOFDSTUK 1 

1. Sandr = zand. Aan het einde van het Salien, 200.000-120.000 v. Chr., smelt de ijskap. Het 
smeltwater spoelt weg naar de lagere delen van de stuwwallen en neemt grote hoeveelheden 
zand en stenen mee die vlaktes vormen, sandr of spoelzandwaaier genoemd. Deelen, 
Schaarsbergen, Wolfheze, Heelsum en Renkum liggen op dezelfde spoelzandvlakte, waarvan 
het zand afkomstig is van het gebied van Deelen. 

2. H.A. Heidinga, Veluwepost 19-07-2002, pag. 23. 

3. J. Tersteeg: Enkele hoofdzaken uit de geschiedenis van het oude kerspel Renkum in Bijdragen 
en Mededelingen, dl 67, 1973. H.A. Heidinga: De Veluwe in de vroege Middeleeuwen; 
aspecten van de nederzettingsarcheologie van Kootwijk en zijn buren. A. Stern: Graafschap 
in de Middeleeuwen: Adela 97?-98? Gravin van Hamaland; Immed 953-983, Graaf van de 
Veluwe; Ondergang van Hamaland. Downloads dd. 20-02-06. J.M. Van Winter: Het bisdom 
Utrecht tussen Gelre en Holland in, Gelre, Geldern, Gelderland. Geschiedenis en cultuur van 
het hertogdom Gelre. Th. Van der Zalm: Adela van Renkum lijdt nog steeds onder een "slechte 
pers" in Schoutambt en Heerlijkheid 1/2000. R.M. Kemperinck: Adela van Hamaland ca. 955- 
voor 6 augustus 1028, gravin in Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 2. Oudheden en 
gestichten van het bisdom Deventer (Grol) door H.VR. 

4. De Geschiedenis van het noordoosten van Brabant ca. 1200-1795 van G.F. van der Ree- 
Scholten, 1993. 

5. D. Verbeek Jr., H. van Gortel: De Geschiedenis der Neder Veluwe, Deel I, 1888 en A.A. 
Beekman: Geschiedkundige atlas van Nederland. De gewesten van Noord- en Zuid Nederland 
in 1300. Uitg. M. Nijhoff, 1932. 

6. A.A. Beekman. Geschiedkundige atlas van Nederland. De gewesten van Noord- en Zuid 
Nederland in 1300. Uitg. M. Nijhoff, 1932 en P.N. van Doorninck e.a. Acten betreffende Gelre 
en Zutphen 1107-1415. 

7. ZieookMattheus7:15, 10:16 en Lucas 10:3. 

8. Geldersche Volksalmanak 1886, pag. 193. 

9. The rule of the game, Science 295, 2273-2276, 2002. 

10. Anno 2002 zijn er in acht westeuropese landen ca. 2850 wolven (0,11 per 1000 km 2 ), in 10 
middeneuropese landen ca. 3750 (4,2 per 1000 km 2 ), en ca. 7750 in vier oosteuropese landen, 
excl. de Russische Federatie (6,7 per 1000 km 2 ). Bronnen: Readers Digest, november 2003, 
nr. 554, pag. 44, en Wereld Atlas, 3° editie Wolters Noordhoff. 

1 1 . NRC van 27 augustus 2005, Wetenschap & Onderwijs. 

12. Andreas, weerwolven en weerberen.nl; download juni 2004. 

13. De strijd tegen de wolven op de Veluwe, A. Oltmans, Bijdragen en Mededelingen 1923 pag. 91, 
en W. van de Poll, Geldersche Volksalmanak 1 886. 

14. Etymologisch Woordenboek, l c druk, Van Dale Lexicografie, ISBN 90-6648-3 12-1. 

15. In de 2" helft van de 19 e eeuw is er een Oosterbeek-schilder geweest die een stuk inzendt 
naar een internationale tentoonstelling dat hij "Wolferen" noemt, terwijl het in Wolfheze is 
gemaakt. 

16. Brochure RDO. Geschiedenis van het Christendom en van de christelijke kerk in Nederland 
gedurende de Middeleeuwen, dl II, Utrecht, 1853. H.J. Royaards. Site RDO, download 
14-10-2007. 

17. Archief Geldersche Rekenkamer 1559-1795 etc. Jhr. Mr. A.H. Martens Van Sevenhoven, deel 
I, 1925. Schimmelpenninck Van der Oije van Nyenbeek; Hacke-Oudemans; Van Winter; site 
Streekarchivariaat N.W Veluwe; D. Otten Landschap en plaatsnamen van de West- Veluwe; 
www.barneveld.nl >kronieken 



18 



2. KERSPEL EN NEDERZETTING 

2.1. PAROCHIE 

Over de vroegste parochiele indeling van de Veluwezoom bestaat grote onduidelijkheid. 
Wei is bekend dat er daarna parochiescheidingen hebben plaats gehad, maar wanneer precies, 
in welke omvang en naar aanleiding waarvan is weer onduidelijk. 

Heidinga geeft in zijn "territoriaal model" van de Veluwe een schematische parochie-indeling 
weer, zie 3.3. 

Oltmans meent dat er in de 1 l e eeuw een kerspel Wolfheze is dat in het zuiden grenst aan de 
Rijn. De noordgrens trekt hij nabij de Wolfhezer kerk en dat is aannemelijk: kerken worden vaak 
aan de parochiegrens gebouwd, op zo groot mogelijke afstand van naburige parochiekerken. 
De kerken van Oosterbeek en Renkum liggen in het zuiden, niet ver van de Rijn. 

De oost- en de westgrens beschrijft Oltmans niet, maar die liggen in zijn visie ongetwijfeld 
dicht bij de kerken van Oosterbeek en Renkum. 

Echter, de door Muller gepresenteerde kaart 1 , weergevende de kerkelijke indeling omstreeks 

1560, toont een parochie die groter is. 

Afgaande daarop liggen de belangrijkste hoekpunten van de parochie ongeveer op de volgende 

lokaties: 

Noordwesten: 

Nabij de Buunderkamp, op de lokale zandweg ettelijke honderden meters ten zuiden 

van de tunnel onder de A 12. 

Noordoosten: 

Nabij 't Hazeleger, op de Wolfhezerweg iets ten zuiden van de aansluiting van deze 

weg op de Amsterdamse weg. 

Zuidoosten: 

In Heveadorp, daar waar de Beeklaan bij de Rijn uitkomt. 

Zuidwesten: 

Nabij Heelsum, daar waar de Zwarte Kolkbeek (op dit punt de Heelsumse beek 

genoemd) in de Rijn uitmondt. 

De kaart geeft aanleiding tot verschillende observaties. 

• In de loop der tijd neemt het wereldlijk bestuur vaak de grenzen over van de kerk 2 , waarbij 
de oude parochiegrenzen (veelal) onaangetast blijven. Dat is, althans in grote mate, ook het 
geval met parochie Wolfheze en de belendende kerspels van Oosterbeek en Renkum: de grens 
van de huidige gemeente Renkum komt goeddeels overeen met de buitengrenzen van de 
parochies van Renkum, Wolfheze en Oosterbeek. 



19 




GRENZEN VAN DE GEMEENTE RENKUM ANNO 2007 

De buitengrenzen zijn aangegeven in dikke rode lijnen, de voormalige binnengrenzen in dunne 

rode lijnen. Met dank aan R. van Aalst, Technisch Bureau Gemeente Renkum. 

• Verder valt op dat de Zwarte Kolkbeek de grens vormt tussen de parochies Wolfheze en 
Renkum op ca. de laatste 2 km van zijn traject tot de Rijn. Volgens Nijhoff is de beek later de 
grensscheiding tusschen de schoutambten Renkum en Dorenweerd. 

• Van de drie parochies is die van Wolfheze de grootste qua oppervlakte, mogelijk ter 
compensatie van een extensieve bewoning. 

• Kerspel Oosterbeek heeft een vreemde vorm. Geen lange, min of meer rechte lijnen 
die kenmerkend zijn voor een vrijwel leeg en onontgonnen gebied. Het gebied lijkt te zijn 
afgebakend door afspraken. En inderdaad hebben verschillende heren - de hertogen van 
Gelre, Brabantse leenheren, de Maartenskerk en het St. Pieterskapittel te Utrecht - er gronden 
gehad. Het wildforstergoed ligt in parochie Oosterbeek door een uitstulping in de noordwester 
kerspelgrens. 

De noordgrens van dit kerspel valt samen met de heerwech op het stuk van Mariendaal naar 
Wolfheze. De westgrens komt ongeveer overeen met de route vanaf het Drielse veer via de 
Koude Herberg naar de heerwech. Het zuidwestelijke deel van de grens wordt gevormd door 
de Seelbeek, die ook de heerlijkheid Doorwerth aldaar begrenst. 

• Het zuidelijk deel van kerspel Wolfheze heeft de contouren van de heerlijkheid 
Doorwerth. 

• Het valt op dat het noordelijk deel van parochie Renkum overeenkomst vertoont met het 
noordelijk deel van kerspel Wolfheze. In dit verband dient zich de vraag aan of deze grenzen 
zijn terug te voeren op bestuursverhoudingen in de Vroege en de Voile Middeleeuwen. Bekend 
is dat de marken langs de Rijn en Yssel de vorm hebben van vrij smalle stroken, die vanaf de 
rivier landinwaarts lopen* en gemeend wordt wel - alhoewel niet door Sloet, 1 859 - dat Harten 
(Oud-Renkum) en Wolfheze zijn voortgekomen uit oude (hof)marken. 



2(1 



Hoe dat ook zij, uit een stuk van 18 juli 1657 4 blijkt dat de noordgrens van Wolfheze - dan 
Nieuw Wolfheese genoemd - in elk geval aan de Hertensche beek ligt 5 . 

DRIE PAROCHIES OP DE VELUWEZOOM 

Nu eerst een vergelijking van de drie parochies die thans gezamenlijk de gemeente Renkum 
vormen. 

Renkum 

Het belangrijkste, meest prestigieuze kerspel is ongetwijfeld dat van Renkum geweest. De 
oudste vermelding van de kerk dateert uit 1031 en van de parochie van Renkum uit 1 183. 
Enerzijds is hierover het meest bekend, anderzijds ontbreekt een samenhangende visie op 
dit gebied. Renkum of een deel ervan heeft lange tijd deel uitgemaakt van het Veluwse 
grondgebied van het geslacht Hamaland en is de woonplaats geweest van Adela van Hamaland 
en haar echtgenoten. De plaats heeft banden met Paderborn en Elten. Het kerspel heeft een 
kapel en een klooster gehad. Verder is Renkum vanaf 1380 - wanneer een beeld van Maria uit 
de hemel zou zijn neergedaald - eeuwenlang een belangrijke bedevaartplaats geweest, het rijke 
en aanzienlijke Mariaklooster. 

Dan is daar - vanaf 1 372 of eerder - kasteel Grunsfoort (Groensvoerde, Grensvoort, Grunsfort), 
dat vermoedelijk is bedoeld als grensvesting tussen Gelre en het Sticht, vergelijk met kasteel 
ter Horst bij Rhenen. Het heeft een strategische ligging gehad, nabij de heerwech, beken en de 
Rijn. De naam suggereert een doorwaadbare plaats, hoogstwaarschijnlijk een voorde door de 
beek aldaar, maar dat staat niet onomstotelijk vast. 

Grunsfoort ligt bij het beekdal, maar bezit in 1492 een uiterwaarde, gelegen bij 'leexken aen 't 
veerstat ', de voorde zou dus ook de Rijn kunnen betreffen. Het Lexkesveer dateert van ver voor 
de Vroege Middeleeuwen en vormt de verbinding tussen de Veluwezoom en de stapelplaats te 
Randwijk die er rond 1 180 gedurende enige tijd is geweest. De buurschap Harten, met kapel, 
ligt in parochie Renkum. 

Rond 1600 is er op Renckem opte stee daer Lubber op gewoent heeft een wildforstergoed 
geweest; de exacte lokatie is nog onbekend. Wellicht is er nog een tweede wildforsterij geweest 
en wel bij Lubber's buurman 6 . 

Wolfheze 

Minder aanzienlijk is de parochie van Wolfheze. 

Echter, met kasteel en heerlijkheid Doorwerth in het zuiden en delen van het wildforstergoed 
in het noordoosten van de parochie zal het kerspel toch enig aanzien hebben gehad. Kerk en 
omliggende gronden zijn eigendom en leenbezit van hoogadellijke huizen en dat zal zeker 
hebben bijgedragen tot het aanzien van de parochie. 

Vooral Doorwerth heeft groot aanzien. Van Slichtenhorst beschrijft het goed als volgt De 

Heerlykheyd van den DOORENWEERD, de heerlijxte en grootste van de gantsse Velouw 

Binnen het gebied van de heerlijkheid zijn afzonderlijke territoria van hoge - de galg heeft 
gestaan op de Oordberg, nu de Noordberg - en van lage jurisdictie. 

Oosterbeek 

Oosterbeek, kerspel en dorp, is in de Middeleeuwen nimmer goed tot ontwikkeling gekomen. Er 
zijn enkele hoeven geweest van de hertog van Gelre, waarvan de Dusinckhof de belangrijkste 
is, en de oude Seelbeekhof, lange tijd in het bezit van de Maartenskerk en het St. Pieterskapittel. 
Voor het overige zijn er kleine boerenbedoeninkjes geweest. De wildforsterhoeve ligt in 
parochie Oosterbeek, maar het is - vooral gelet op zijn ligging - de vraag of dit goed heeft 
bijgedragen aan de economie van de parochie. 
De heerlijkheid Rosande ligt deels in parochie Oosterbeek. Het kasteel staat in parochie 

21 



Arnhem, wordt voor het eerst genoemd in 1313 en wordt in de 16 e eeuw enkele malen 
verwoest. 

Van de drie parochies is dit kerspel ongetwijfeld het minst belangrijk geweest. 

In feite is dit een vrij opvallende constatering, gegeven de ligging van het dorp aan de Rijn en 
aan de zeer oude en belangrijke noordzuidweg, elders in dit werk besproken. Een verklaring 
kan zijn dat het dorp geen rol heeft kunnen spelen in het vrachtvervoer vanaf en naar de 
Veluwe, omdat dat voorbehouden is gebleven aan de heerwech, waaraan Renkum en Wolfheze 
wel hebben gelegen. Meer daarover in hoofdstuk 7. 

Een andere mogelijke verklaring is dat het gebied al vanaf de Voile Middeleeuwen versnipperd 
is geweest over een aantal eigenaren en bezitters: de al genoemde Utrechtse kerken, de heren 
van Gelre en van Brabant en diverse leenmannen van Seelbeek. 




>*""^i /t 



VELUWSE EN BETUWSE PAROCHIES IN HET RIJNGEBIED CA. 1560 

Het jaar waarin de Wolfhezer parochie wordt omgezet in de parochie 

Heelsum/Wolfheze is niet precies bekend, maar ligt in het tijdvak 1545-1561. 

Bron: De kaart van het bisdom Utrecht in 1560 door S. Muller Hzn, 1919. 

WOONKERNEN IN KERSPEL WOLFHEZE. 

Parochie Wolfheze heeft vier woonkernen gekend. 

Noorden 

De oudste kern van het noordelijk deel van de parochie ligt rondom de kerk. Bekend is dat de 
RDO in de 13 e eeuw gronden en hoeven te Wolfheze heeft en die zullen daar hebben gelegen. 
Dit gebied wordt hoj "Wolfheze 1 genoemd. 

Het gebied ten noorden en ten noordoosten van de kerk heeft zich niet of nauwelijks economisch 
ontwikkeld. Kaarten uit de Late Middeleeuwen tonen aan dat daar geen cultuurgronden zijn 
en geen opstallen. Dit deel van de Veluwe is tot ver in de Nieuwe Tijd een wilt en byster lant 



22 



gebleven. 

De gronden van de wildforsterij in het oosten van parochie Wolfheze worden vanaf 1366, 
maar vooral in de 16 e eeuw ontwikkeld. 

Oosten 

De buurtschap Seelbeek met enkele hoeven 9 . Hof Seelbeek - een lage heerlijkheid - ligt 
nog juist in parochie Oosterbeek, maar enkele daarbij behorende hoeven hebben tot kerspel 
Wolfheze behoord. 

Zuiden 

Het zuidelijke deel van parochie Wolfheze wordt sinds de 13 c eeuw of eerder bewoond door 
de kasteelheren en huis-, tuin- en keukenbedienden. Dit deel is congruent met de heerlijkheid 
Doorwerth. Volgens de Boer 8 bestaat de heerlijkheid als bestuursvorm reeds aan het einde 
van de 13 e eeuw. Huis Doorwerth heeft al voor 1402 gronden elders in kerspel Wolfheze, 
waarschijnlijk in het zuidoosten van de parochie. Deze gronden blijven tot ver in de 17 e eeuw 
en mogelijk langer in handen van de heren van Doorwerth. 

Westen 

De buurtschap Heelsum komt pas later tot ontwikkeling. Een stimulans zal zijn uitgegaan 
van de komst van de kerk aldaar in 1519, later - tegen het einde van de 16 e eeuw - versterkt 
door het wegvallen van de Wolfhezer kerk als concurrent. Maar rond 1555 is de bevolking van 
Heelsum nog weinig omvangrijk. In de nog te behandelen "pastoorskwestie" die in deze tijd 
speelt wordt gesteld dat er soo weynich kerspelluyden daeronder (de kerk aldaar) gehoorich 



2.2. DE NEDERZETTING 

AGRARISCH SAMENLEVING 

Over de bevolking van Wolfheze in de Middeleeuwen is weinig meer bekend dan dat het een 
kleine, agrarische samenleving heeft gevormd 10 . 

De eerste melding van (voorgenomen) agrarische aktiviteit komt uit een rekening van het 
Richterambt Veluwe. Hierin staat dat in 1333 gronden te Wolfheze worden aangemaakt zonder 
toestemming van de heer. 

De bevolking leeft van zelfverbouwde peulvruchten, rogge, gerst en haver. Tarwe is 
waarschijnlijk het minst belangrijk en boekweit zal vanaf de 14 e of 15 e eeuw in opkomst zijn. 
Er is mogelijk enige vlasteelt geweest. De volksdrank is bier. 

Wellicht is er - in de loop van de eerste helft van de 17 e eeuw - enige tabaksteelt door de 
achtergebleven bewoners van hof Wolfheze en door de uitbaters van de wildforsterij. 

De akkers zijn vaak nog te herkennen aan de ophogingen in het veld. 

De veeteelt is kleinschalig. Aanvankelijk vooral varkens en kippen, later ook schapen - 
inclusief de gespecialiseerde schapenhouderij van de nog te bespreken laatste Evert Van Wilp 

- en koeien. 

Ook mensen met een gespecialiseerd beroep - ambachtslieden, kosters, pastoors, molenaars 

- voeren een boerenbedrijfje. De opbrengsten dienen als dagelijks levensonderhoud, als 
betaalmiddel bij aankopen en ter vereffening van lonen, pachten en tienden. Vanaf ca. 1300 
wordt geld steeds belangrijker als betaalmiddel. 



23 



Kinderen worden ingeschakeld in het werk op de boerderij. 

Met het vorderen van de tijd groeit de bevolking van de Veluwe en vinden er steeds meer 
ontginningen plaats. Dat leidt soms tot ingewikkelde situaties. Op woeste gronden kunnen 
allerlei heerlijke rechten rusten (jachtrecht, varkens- en schapenweiderij, bijenteelt), die 
verloren gaan als de gronden worden ontgonnen. In Wolfheze is het vooral het wildforstergoed 
dat woeste gronden cultiveert. 

De omliggende natuur - heidevelden, bossen, beken - wordt zoveel mogelijk ingeschakeld in 
de strijd om het bestaan of om het leven te veraangenamen. Het bos wordt gebruikt voor de 
produktie van hak- en boerengeriefhout, maar ook - tegen betaling van een vrij lage vergoeding 
- voor het weiden van schapen, koeien en van varkens in de herfst (eikelmast, beukennootjes), 
het halen van strooisel en plaggen, de houtsprokkel en het verzamelen van bosvruchten. 








HEIDEPLAGGEN 

Voor het "oogsten" van heideplaggen bestonden de termen plaggen slaan en plaggen maaien. 

Daarvoor werden een plaggenhak en een plaggenzicht gebruikt. 

Bron: Geldersche Volksalmanak 1942, pag. 172 Oosting. 

Zo zal men als aanvulling op het dagelijkse menu veldbessen, kastanjes, eikels (koffie) en noten 
(olie) hebben verzameld. Voor de huisapotheek zijn b.v. in trek geweest berkensap (suikers), 
berkenblad (vitamines, caroteen, suikers), berkenbast (voetbaden, huidaandoeningen), 
brandnetels (vitaminen, mineralen, prote'ines), varens (lintworm). Galnoten zijn verzameld 
voor de aanmaak van inkt en berkenbast is mogelijk gebruikt als (voorloper van) papier en - al 
of niet samen met heideplaggen - als dakbedekking. Eikenschors en -blad dienen als grondstof 
van looistoffen. 

In huisvlijt zijn bezems en borstels gemaakt van heidestruiken; 66k van de heidevelden 
afkomstig is heideturf. Heide wordt gemaaid voor veevoer. Heideplaggen worden gestoken op 
die plaatsen waar voldoende humus aanwezig is, want daarom gaat het en niet om het zand. 
De plaggen worden gebruikt voor de muren van de huizen en voor het aanmaken van mest in 
de stal. Heidestruiken worden gebruikt voor de daken. Wellicht heeft men mede gemaakt, een 
alcoholische drank, verkregen door gisting van heidehoning. 

Bijen leveren niet alleen honing. Twee ander producten zijn was en een soort kit (propolis). 
De was zal tot schrijftafels en kaarsen zijn verwerkt. De kaarsen zijn bestemd voor eigen en 
kerkelijk gebruik, als ook om te worden geplaatst rondom een overledene om de boze geesten 
af te schrikken en vooral de satan, die een vijand is van het licht. 



24 



De schapenteelt is populair. 

Het schapenvacht is tot wol verwerkt, als het althans niet wordt gebruikt als vlooienvanger 
in eigen huis. De huiden van de schapen of van het andere vee dienen als basismateriaal 
voor of worden verhandeld om te dienen als grondstof voor de vervaardiging van perkament, 
lederwaren en kleding. 







EEN VELUWSE SCHAAPSKOOI 
Tekening A. van Dalen. 

Veel van de minder of niet bederflijke waar is verkocht, d.w.z. geruild, want de handel is tot in 
de 14 e eeuw grotendeels ruilhandel. 

Het jachtrecht op de Veluwe is van ouds in handen van de landsheer. 
Er zijn slechts enkele geslachten, waaronder de Heren van Doorwerth, die het recht hebben 
te jagen zonder voorafgaande toestemming van de graaf. De jacht zal dus voor de 
Wolfhezenaren niet toegankelijk zijn geweest - de straffen op overtreding van de jachtwetten 
worden allengs zwaarder - behalve als drijver. 

Kerk, kerkterrein en kerkhof hebben zeker als marktplaats gediend. 

In de agrarische samenleving heerst een bepaalde - hoge - mate van buurschap, een systeem 
van burenhulp waaraan men zich niet gemakkelijk zal hebben kunnen onttrekken. 

Vanaf 1366 bestaat het dorp in feite uit twee boerengemeenschappen, die in menig opzicht 
elkaar's tegenpool zijn. 

• Hof Wolfheze, bestaande uit kerk, schans, akkers, boerenhoeven en wellicht een molen, is 
in handen van de hoge adel: de huizen Van Montfoort, Van Wijhe, Van Wilp en de RDO te 
Utrecht of diens landcommandeurs. Huis Doorwerth krijgt pas ver in de Nieuwe Tijd rechten 
op hof Wolfheze. De hof ligt aan de noordzijde van de Zwarte Kolkbeek en in parochie 
Wolfheze. 

Het boerenbedrijf, bedreven door de pachters van de zojuist genoemde huizen, is kleinschalig. 
De leenheer en de leenmannen wonen elders. Hun onderlinge relaties worden besproken in de 
paragraaf Netwerken in dit hoofdstuk en in hoofdstuk 6. 



25 



• De tweede gemeenschap wordt gevormd door het wildforstergoed, sedert 1366 in het dorp 
gevestigd. 

De hoeve van het wildforstergoed ligt in 1560 - of dat in 1366 ook zo was is onbekend 
maar het is wel waarschijnlijk - in parochie Oosterbeek, de gronden deels daar, deels in 
parochie Wolfheze en - later, als er meer woeste gronden worden ontgonnen - deels in kerspel 
Arnhem. 

De akker Arnts Enck, de grootste akker van het goed gedurende de tijd van 1366 tot ca. 
1560 ligt grotendeels en wellicht geheel in kerspel Wolfheze. Het bedrijf heeft een grote 
omvang en de leenbezitters in de periode van 1366 tot aan 1540 behoren tot een familie, de 
Van Lawijcks. Zij hebben hun woonplaats zo al niet op de wildforsterhoeve dan niet al te ver 
daarvan verwijderd in de regio, n.l. eerst in Herveld en later in Wageningen. 

Ongetwijfeld hebben de wildforsters voor de heren van Gelre en hun genodigden van tijd tot 
tijd jachtpartijen georganiseerd in het gebied, waarschijnlijk vooral aan de oostzijde van het 
dorp, maar ook ten noorden ervan in het zogenaamde Lawicker velt. De knechten van de 
wildforsterij worden daarbij ingeschakeld als drager, wagenvoerder of drijver. De wildwallen 
- ook wildgraven genoemd - dienen niet alleen om ongewenst wild buiten te houden, maar zijn 
ook geschikt om er het wild tegen aan te jagen en te doden. 

De eerste wildforster is Arend Van Lawijck van het gelijknamige Overbetuwse geslacht. De 
familie heeft regionale betekenis. Hij krijgt het goed in leen van Eduard van Gelre en heeft 
het goed beheerd van 1366 tot 1402. 

De Van Lawijcks zijn ongetwijfeld belangrijke dorpelingen geweest. 

Daarom nu eerst een voorlopige opsomming van de rechtsopvolgers van Arend; de archieven 

zijn incompleet en de gegevens niet steeds correct. 

• Roloff Van Lawijck, 1402-1424 

Het Leenaktenboek zegt: Roloff van der Lawich ontfengt dit, a". 1402 , volgens baron van 
Lawijck waarschijnlijk als erve zijns vaders. Ruim 20 jaar later wordt de belening bestendigd: 
Idem ontfengt den groten thienden met den smalen thienden, gelegen tot Hervelt, ende een 
stuck landts, geheiten dat Oeverstuck, ende 5'/i mergen lants, gelegen tot Driel, ende een stuck 
lants, gelegen in den kerspel to Elden, a" 1424. 

• Arnt Van der Lauwick Rolofssoon, 1424 - ? 

• Henrick Van Lawyck, > 1473 tot einde 1490-er jaren of later. 

Wie Henrick als leenman van het wildforstergoed opvolgt en wanneer is onbekend. 
Drie Van Lawycks kwalificeren zich voor deze rol: a/ Roelof Van der Lawick, zoon van 
laatstgenoemde Arnt Van der Lauwick Rolofssoon. Hij is eerst kanunnik te Elst, maar trouwt 
later en heeft een zoon die bekend is als Arnt Van der Lauwick tot Ray. b/ Jan Van der Lauwick 
tot Raden, een broer van kanunnik Roelof en c/ Roelof, zoon van Henrick Van Lawyck. 

Hoe dit ook zij, op zeker moment krijgt de zoon van kanunnik Roel het goed in leen. 

• Arnt Van der Lauwick tot Ray, ? - 1531 

In het Leenaktenboek wordt hij en passant vermeld, niet met name maar als erflater van 
Gertrud. 



26 



• Gertrud Van der Lauwic to Ray, 1531-1539 

Gertrud , huysfrou Gijsberts van Danse, erve hares vaders Arnts, 28juli 1531. 

Er staat de volgende noot bij: Ind so ditselve leen etzelicke jaeren van Gijsbert ind Gertruyt 
vurs. versuymt und nye aen mijnen genedigen lieven heeren versocht noch ontfangen is.... 
also dat sijnre f. gen. dit alinge leen vervallen ind gebrueckt was, heeft doch sijne f. gen. 
om trouwen, mennichvoldigen dienst wille, den Gijsbert in der wederinneminge der stede 
Arnhem ind Tiell, ongespairt lijffs ind levens, ind sits anders bewesen hiefft, sulicke bruecke 
ind versuymenisse guedelich aversien ind quijt gegeven (leenakte). Arnt van Danse, Gertrud's 
oudste zoon, krijgt ook rechten op het goed. Eadem (= Gertrud) met haren oltsten soon Arnt 
van Danse transporteren op Jacob Snabbe alle voors. parcelen, eodem die. 
Idem eedt vernijt, 6 Septembris 1538. 

• Het echtpaar Droechscherer, 1540 - > 1553 

Johan en Anna Droechscherer nemen het goed in januari 1 540 over van Gertrud. 
De Droechscherers zijn waarschijnlijk afkomstig uit Arnhem. In elk geval heeft de familie 
rond 1528 enige grond aldaar. Na de dood van Johan in 1547 neemt Anna het beheer van het 
goed ter hand, maar onbekend is tot welk jaar precies. Aangenomen wordt dat het echtpaar 
kinderloos is want de wildforsterij wordt overgedaan aan zwagers van Anna. 

• Johan Bouwmeyster, Henryck Herbers, > 1553 - > 1570 

Waarschijnlijk zijn de beide heren erfgenamen en opvolgers van Anna Droechscherer. Ze doen 
er veel aan het goed te verbeteren en uit te breiden. Uit een kaart van de domeinbezittingen 
doorTh. Witteroos van 1570 blijkt dat Henryck Herbers ook eigenaar is van de Silverenbergh 
dat op de kaart van 1616 van Kempinck staat aangegeven Den kleynen Silverbergh- 
Bouwmeysters, c.a. Dit gebied ligt ten zuiden van de Utrechtseweg, nabij de aansluiting daarop 
van de Wolfhezerweg. Verder worden tussen de jaren 1567 en 1573 gronden - in hoofdzaak 
domeingronden - aangekocht en ontgonnen die liggen tussen Arndt Enck (aan de westzijde 
van hotel Wolfheze) en Dreyen. 

Rond 1600 lijkt het goed te gaan met het wildforstergoed. Althans, in een stuk uit 1600 
van de Gelderse Rekenkamer wordt het "aangeslagen" voor twee wildkarren. Maar niet uit 
te sluiten is dat de dubbele aanslag te maken heeft met het feit dat het leege erff in parochie 
Oosterbeek ligt en Arndt Enck in kerspel Wolfheze. 

• Dr. Deft Elisabeth Beth (of Deft), < 1628 - 1665 

In de eerste helft van de 17 e eeuw wordt het goed verpacht aan de Amhemmer Deft. 
Volgens Demoed bepaalt de overeenkomst dat de pachter de door het oorlogsgeweld verwoeste 
gronden weer in cultuur moet brengen en hoe hij dat dient te doen. Het land tegenwoordig 
met heet bewassen en voor desen bebouwt geweest moet weer bequaem (worden gemaakt) om 
cooren te draegen. De pachter moet zoveel personeel hebben en zo veel vee als nodig is om 
het land in beter gerack als voor desen te doen geraken. Voor wat de schapen betreft wordt 
bepaald dat de pachter er 's zomers 250 dient te houden en 's winters minimaal 200; ook dient 
hij de schapen te schutten die zonder toestemming op het Wolfhezer veld worden gedreven. 

Ten aanzien van dit laatste punt ontstaat in 1628 een conflict tussen Deft en de eigenaren van 
Hoog-Oorsprong en de Sonnenberg. Het leidt tot een proces en de uitkomst daarvan is dat 
laatstgenoemde van Dr. Deft toestemming ontvingen tot schaapsdrift op voorwaarde dat deze 
daarvoor jaarlijks een goet vet lam betaalt; later worden er nog 2 hoenders aan toegevoegd. Of 
die toestemming van Deft nu alleen aan de heer van de Sonnenberg is gegeven of aan beide 
opposanten is uit de tekst niet goed op te maken. 



27 



Op 14 december 1 665 dragen Elisabeth Deft, weduwe Johan Rombius en haar mede-eigenaren 
het goed over aan Dr. Johan Swaen en zijn echtgenote Anna Leeuwens in Arnhem. 

Tot zover de beheerders van de wildforsterij. Meer details in een separate studie van de 
auteur. 

KRUISPUNT VAN WEGEN 

De nederzetting ligt bij een kruispunt van belangrijke wegen, volgens de kaart De oude wegen 
op de Veluwe, gedeeltelijk gereconstrueerd uit Gelre het grootste verkeersknooppunt op de 
Veluwezoom. 

Deze wegen zijn niet de ongeplaveide voorgangers van de huidige verkeerslinten, maar zijn - 
soms breed uitwaaierende - karrensporen in het veld. De kerktoren is ongetwijfeld een baken 
waarop de weggebruikers zich orienteren als zij omwegen moeten maken om diepe kuilen en 
plassen te vermijden. 

De twee belangrijkste routes zijn: 

• De heerwech 

Tussen Arnhem en Wageningen heeft eeuwenlang een weg gelegen, den Heerwech oft openen 

wech (1553), die in dit werk met de term heerwech wordt aangeduid. 

Andere benamingen 11 zijn: 

wegh na Wolfheze (1602), Wolffheser waghen weg en ouden Uytregtschen wegh (beide 1616) 

en de heerstraet van Utrecht naer Arnhem (1642). Nog weer latere benamingen: Schelmseweg 

(1756), en de Weg van Renkum naar Hoog Wolfheze (1832). 

Vanaf de 17 e eeuw verliest de weg aan belangrijkheid en neemt de huidige Utrechtseweg het 

meeste verkeer over. Vandaar de benaming ouden Uytregtschen wegh voor de dan voormalige 

heerwech. In een stuk uit 1625 wordt de weg Heelewech genoemd 12 . 




DE ST. JAN'S PLAATS MET DE GELIJKNAMIGE POORT TE ARNHEM, 
BEGIN- OF EINDPUNT VAN DE HEERWECH 

De heerwech verbindt de hanzesteden Arnhem (sinds 21 mei 1437, na een onderbreking van 
meer dan een eeuw) en Wageningen (1540) en is dus ook een hanzeweg geweest. Hanzewegen 
maken vaak gebruik van oudere verkeersroutes en zijn over het algemeen niet ouder dan de 
14 e eeuw. 



28 



Het beloop van de weg is goed te zien op de Gelre kaart. 





]\ 


{ 


Q 5 
i i 


lokm / J 


-A u£ 








ixy 




t y 




^--A /^^"se 


fte^ J%!» 


.,. ■■:■..;.;' - 


-^5 y / 


Jboitf 


/ \ X 


.^x / 




i :■■-■'.■■.; 


■■■'■'. ■■■■■. ,-. . ■■■ . ■ 
I ] 


tJL 


*-dk 






y X 






Ua/ \ 


r~^Sh\ 






\ J^ J! . :■.,/■'.- 


jf ^^Ll 


_^^fc : 


/% fni&-- ■• \f' 


; - ; iL-» **fc 


Lm- ; ■ 


1 /\ / / J^ — ^ 


■ : * ^*-4 


■..;.,.-.■«*!* V 


x \ - ; / y / 




^— — -*\ ■ 


f \ ty r y 




V X A (/ 


i-v^l ./ "^ ■■'"■"■■ 




■ ■ .. ,",: ■,■: ■:■ . :■ ■ 







OUDE WEGEN OP DE VELUWE, DEELS GERECONSTRUEERD UIT "GELRE" 
Bron: Historische plattegronden van Nederlandse steden in Gelderland, dl 81, pag. 4. 

De heerwech begint in Arnhem bij de St. Jan's poort". Buiten deze poort splitst de weg zich af 
van de weg naar Amsterdam 14 en voert dan langs de noordzijde van de gronden van het klooster 
Mariendaal (Marienbron, Maria? Fons, Fonteinklooster) richting Airborne begraafplaats. 
Vandaar via de noordkant van Dreyen en de zuidzijde van Papendal, langs de noordzijde van 
de wildforsterij, de zuidkant van de kerk en iets verder zuidwestwaarts langs de noordzijde 
van het Stratius Rondeel en door een landweer. 




TWEE GRAFHEUVELS LANGS DE HEERWECH BIJ WOLFHEZE, NABIJ DE KERK 



24 



Vandaar loopt de weg via de noordzijde van de Heelsumse kapel, de noordzijde van het 
klooster te Renkum en de zuidzijde van de kerk aldaar naar Wageningen. Deze plaats wordt 
aan de noordzijde gepasseerd. 

De weg is gedurende eeuwen de belangrijkste verkeersader geweest tussen Arnhem en 
Wageningen. In de Late Middeleeuwen "bedient" hij zeven kerken en kapellen (Wolfheze, 
Heelsum, Harten/Wageningen, twee te Renkum en twee te Wageningen), drie kloosters 
(Mariendaal, Renkum, Wageningen), twee kastelen (Renkum, Wageningen) en twee - mogelijk 
drie - wildforsterijen (Wolfheze, Renkum). 

Wolfheze ligt op het meest noordelijke punt van de heerwech. 

De vraag dient zich aan hoe oud de weg is. 

Voorlopig is er alleen de hypothese dat de weg al voor de Late Middeleeuwen in gebruik is 
geweest: 

> Rond 1250 neemt ene Albert von Stade in zijn wereldkroniek een landroute op die pelgrims 
uit Rome en Keulen in de Middeleeuwen volgen om de noordelijke Lage Landen te bereiken: 
Keulen-Neuss-Xanten-Arnhem langs de linker Rijnoever. Bij Arnhem steekt de pelgrim de 
rivier over en vervolgens trekt hij via Zeist naar Utrecht. Het traject Arnhem - Zeist wordt niet 
uitgewerkt. 

> Alberts maakt melding van een weg Arnhem - Wageningen 15 en zegt er het volgende over: 
De verbinding met het westen van de Noordelijke Nederlanden, met Holland en Utrecht, liep 
- voor zover het de overlandverbinding betreft - in hoofdzaak van Arnhem over Wageningen 
naar Utrecht. 

Ook hij werkt het traject over de Veluwezoom niet uit. 

In separaat onderzoek door deze auteur is aannemelijk gemaakt dat hiermee de heerwech 
moet zijn bedoeld: 

> Een deel van de weg (St. Jan's poort - Airborne begraafplaats Oosterbeek) is al in de 
Vroege Middeleeuwen in gebruik. Immers, ter hoogte van deze begraafplaats is een 
vroegmiddeleeuwse vindplaats van ijzerslakken aangetroffen, waar 75 a 150 ton smeedijzer 
moet zijn gewonnen. Het ijzer zal naar Arnhem zijn vervoerd of juist naar Wolfheze om aldaar 
te worden gecombineerd met het ijzer afkomstig uit de Uddeler schans en onderweg naar de 
Rijn bij de Dunoschans. 

> In theorie kan de heerwech nog ouder zijn. 

Leyden laat ruimte voor de veronderstelling dat hij onderdeel is geweest van de groote heirweg 
van Doesburg (en Dieren) via Arnhem, Wageningen, Rhenen en Amerongen naar Utrecht. 
Deze heirweg zou dateren uit de Romeinse tijd. Een verklaring kan zijn dat het verkeer door 
deze weg te gebruiken geen last had van de Romeinen. Borman zegt: Korte tijd, in ieder 
geval tussen 47 en 70 na Christus stond ook een ongeveer 15 km brede strook op de rechter 
oever onder directe controle van de militaire machthebbers. Men hield deze strook vrij van 
bewoning om niet door plotselinge overvallen van de stammen uit het vrije Germanie te 
woreden verrast. Ook stammen die er zich wilden vestigen werden geweerd. 

> Zelfs is het voorstelbaar dat de heerwech uit de prehistorie dateert. 

Over meerdere plaatsen langs de heerwech worden prehistorische vondsten en vermoedens van 
prehistorische aktiviteit gemeld: Leeren Doedel - grafveld; Papendal - kinderbegraafplaats; 



30 



Dreijen (Oosterbeek) - draaiburcht (labyrinth); Wolfheze - grafheuvels; Renkumse beek - 
bewoning; Dreijen (Paasberg, Wageningen) - draaiburcht (labyrinth) 16 . 

Is de weg een grafheuvelweg geweest? Drenth en Lohof zeggen: Soms liggen grafheuvels 
zodanig op een rij dat verondersteld wordt datze aan een weg waren gesitueerd 11 . Dit lijkt in 
Wolfheze het geval te zijn. 

Maar er is meer. 

Roorda van Eysinga meent, afgaande op oude sporen bij de Bilderberg, dat de heerwech ook 

is gebruikt voor het verkeer van Oosterbeek naar Renkum en Wageningen. 

Tiemens zegt dat er voor het begin van de 19 e eeuw een weg - waarschijnlijk de Oosterbeekse 
Turfweg - heeft gelopen van de oude Oosterbeekse kerk via het Zweiersdal richting Papendal 
en dan naar Wekerom-Barneveld. De Turfweg heeft dan dus althans deels gebruik gemaakt 
van (het restant van) de heerwech. 

De Gelre kaart toont een weg vanaf de Oosterbeekse kerk naar de heerwech bij Heelsum. De 
weg is op te vatten als een lokale weg binnen de heerlijkheid Doorwerth, waartoe Heelsum 
behoort en als een "feeder" van de heerwech. De weg kan niet worden aangemerkt als een 
belangrijke, zelfstandige verkeersader van Oosterbeek naar Wageningen en Utrecht en 
illustreert in feite de belangrijkheid van de heerwech. Omdat de weg geen verbinding heeft 
met Arnhem kwalificeert hij zich ook niet voor de landroute Arnhem- Wageningen. 
Echter, Nic. Van Geelkerken - De Velouwe. Het laeste vierdeel van Gelderlandt, l e helft 
17 e eeuw - tekent een weg van Arnhem naar Wageningen via de noordzijde van de oude 
Oosterbeekse kerk en de kapel te Heelsum; te Heelsum fuseert deze weg met de heerwech. 
Het vreemde van deze kaart is dat de heerwech vanuit Heelsum naar Wolfheze plotseling 
"dood loopt" ter hoogte van Dreyen. 




EEN WAGENVOERDER, EEN HESSENKERL IN 1577 
Bron: Tentoonstelling "Sporen over de Veluwe", Museum De Bosbeek, Bennekom. 

De heerwech-reiziger ondervindt weinig hinder van beken. 

De weg passeert de kop van de Slijpbeek bij Mariendaal en die van de Zwarte Kolkbeek aan 

de hoge kant en doorsnijdt de huidige gemeente Renkum vanuit het noordoosten naar het 

zuidwesten, steeds ten noorden van de beken. Het voordeel daarvan is ook de beschikbaarheid 

van water op elk moment. Tenslotte passeert hij de Heelsumse en Renkumse beken in het 

zuidwesten. 



31 



Het traject is dun bevolkt en niet sterk geaccidenteerd en is vanaf de Airborne begraafplaats 
zelfs gemakkelijk te bereizen. 

Elk traject tussen de heerwech en de Rijn zou te maken hebben met precies tegenovergestelde 
condities, alsmede met tollen vanwege de aanwezigheid aldaar van de heerlijkheden van 
Rosande en Doorwerth. 







£S£e ^jSjjjgi"-' 






,^1^ 




■-**■*- 




. 


glf^Wl 




5? ■ — *. 





DE HEERWECH IS NU EEN WANDELPAD 

• De noordzuidweg 

Deze is zeer populair geweest en dateert hoogstwaarschijnlijk van ver voor de Vroege 

Middeleeuwen. Komend vanuit het zuiden doet de weg Nijmegen aan en volgt dan ongeveer 

het traject Driel-Oosterbeek-Wolfheze-Ginkel of vanaf Wolfheze naar Bennekom-Goudsberg- 

Meulunteren-Barneveld-Amersfoort. 

Het traject Oosterbeek- Wolfheze "loopt" als volgt: vanaf de Rijn via het Seelbeekdal tegen de 
Veluwse stuwwal op in noordwestelijke richting, ten zuiden van Wolfheze naar de overgangen 
van de Zwarte Kolk- en de Wolfhezebeek, waar in de 17 e eeuw nog de Heelsumse beek bij 
komt. Deze beken worden gepasseerd op een punt waar de stuwwal laag is, ettelijke tientallen 
meters westwaarts - stroomafwaarts - vanaf de sprengkop van de Heelsumse beek 18 . 
Vandaar trekt men ten westen van de landweer en van de Koningsheuvel noordwestwaarts 
verder, kruist men de heerwech en gaat dan over de Doorwerthse en Renkumse heide richting 
Ginkel of Bennekom. 

Het is niet waarschijnlijk dat vrachtkarren bij het Kousenhuisje en/of op een plek iets 
oostelijk ervan de stuwwal afdalen of beklimmen, omdat die daar te steil is; lichtere wagens 
lukt dat daar wel. 



32 




BEEKOVERGANG BIJ DE LANDWEER, BEZIEN VANUIT HET ZUIDWESTEN 

De karrensporen zijn te zien rechtsboven en in de linker bovenhoek. 

Bron: RAF 1945. Speciale collecties, Wageningen UR. Met dank aan R. Schaafsma, Heelsum. 




NOGMAALS DE BEEKOVERGANG BIJ DE LANDWEER 
De overgang bevindt zich daar waar de stuwwal laag is, nabij de wyerd en de landweer. 



33 



Aanvankelijk worden takkenbossen gebruikt om de wagen af te remmen: men laat ze achter 
de wagen over de grond slepen of steekt een takkenbos tussen de spaken (kleffe). 

Voor wat betreft het goederenvervoer is de heerwech lange tijd belangrijker geweest dan de 
noordzuidweg. Later in dit werk wordt dit aspect uitvoerig behandeld. 









Am Fit 



Noordzuidweg 



Heerwech 



- 



■^A- 



—■ — " 

BELOOP VAN DE HEERWECH EN DE NOORDZUIDWEG OP DE VELUWEZOOM 



Beide wegen zijn belangrijk geweest voor het reizigersverkeer. Onder de passanten van 
Wolfheze hebben zich bevonden lands- en stadsbestuurders, kloosterlingen, kerkelijke 
hoogwaardigheidsbekleders, pastoors en kapelaans, bedevaartgangers (Renkum vanaf 1380!), 
vrachtvoerders en "gewone" reizigers. En de wegen zijn natuurlijk ook gebruikt voor (inter) 
lokaal gebruik door aanwonenden. 

Het is voorstelbaar dat Wolfheze - en vooral de kerk - een min of meer belangrijke halteplaats 
is geweest op de kruising van de heerwech met de noordzuidweg, waar reiservaringen en tips 
zijn uitgewisseld tussen hen die de gevaarlijke Veluwe zuidwaarts verlaten en zij die nog aan 
de gewaagde trip noordwaarts moeten beginnen. 

De Arnhemse stadsrekeningen laten zien dat rond 1555 de Veluwe onveilig is gemaakt door 
rondzwervende, afgedankte soldaten. Struikrovers - heidens genoemd - maken het reizen over 
de Veluwe tot aan de 18 e eeuw een riskante zaak. Er zijn veelvuldig overvallen op wagens en 
postkoetsen - die vaak in karavanen rijden - en er worden, tot na 1 600, regelmatig heidensjachten 
gehouden, waarbij de heidens worden opgejaagd en neergeschoten als gevaarlijke dieren. Het 
komt dan ook voor dat vrachtvoerders hun voorlopig overtollige goederen in depots begraven 
in afwachting van betere tijden. 



34 



BEEK EN SPRENGEN 19 

De Zwarte Kolkbeek is hoogstwaarschijnlijk de oudste beek in het gebied en mogelijk van 
oorsprong een bronbeek. 




ZWARTE KOLK BEEK ANNO 2008 

De foto toont de beek ter hoogte van het Kousenhuisje. 

De omlegging noordwaarts naar de Wolfhezebeek - waarschijnlijk daterend 

uit de 17" of 18° eeuw - is nog juist zichtbaar. 

De uitdieping van deze beek later in de tijd en de aanleg van de Wolfhezebeek met zijn vele 
"zijbeekjes" en de Heelsumse beek, 66k met zijn zijbeekjes, zijn belangrijke gebeurtenissen 
geweest voor het dorp. Er zijn vele kilometers sprengbeek in het gebied, soms metersdiep in 
dalwand en dalbodem uitgegraven. Dit wijst op veel handmatig graafwerk en de mankracht zal 
niet uitsluitend door de nederzetting zijn geleverd. 

Voor de planning en de aanleg van een sprengbeek is men aangewezen op experts van elders, 
die in staat zijn tot zulke taken als lokalisatie en aansnijding van een waterhoudende laag 
in dalwand of dalbodem, bepaling van het beloop van de beek en het verloop ervan langs 
de dalwand en eventueel de bekleding van de beekbodem met leem. Echter, dit laatste is 
onnodig geweest in het gebied van Oud-Wolfheze. Ongewenst zelfs omdat de leemlaag een 
belemmering voor het kwelwater zou zijn. 



35 




SCHEMA VAN EEN SPRENG 
De sprengkop (A) wordt tot op het niveau van het grondwater gegraven. Via de gekanaliseerde beek 
(B) wordt vervolgens het bronwater afgevoerd. Van de uitgegraven grond worden aan weerszijden 
van de spreng dijkjes aangelegd, die tevens dienen om het water voldoende op peil te houden (D). 
Om te voorkomen dat het water benedenstrooms (C) door de ondergrond wegsijpelt, wordt deze 
bodem soms met leem bekleed (E). Bron: T. de Ridder,Vereeuwigd landschap. 

Zijn er molens geweest in het Wolfhezense 20 ? 

Oltmans zegt er voor omstreeks 1500 het volgende over: Op korten afstand van den burcht 
(= huidig Stratius Rondeel, daarvoor ook Rondeel en Bolwerck genoemd) brengt de beek een 
molen in werking. Hier wordt het graan gemalen, niet alleen voor de burchtbewoners, maar 
voor de geheele buurt. Nog lets verder staan twee bouwhoeven. 

Demoed maakt melding van een korenmolen in het Heelsumse die dateert uit de 15 e eeuw 
of vroeger. Hij bedoelt waarschijnlijk dezelfde molen als Oltmans. Korenmolens zijn er al 
eeuwen eerder dan papiermolens. 

Als die molen er in deze tijd inderdaad is geweest moet hij hebben gestaan aan de Zwarte 
Kolkbeek, want de andere beken zijn er nog niet. Op de kaart Hertogdom Gelre Vierde 
Kwartier dat is het Arnhemse, ofwel Veluwe uit de IT eeuw komt een molen voor in het 
beekdal, ten westen van de burcht. 




VELUWSE PAPIERMOLEN IN TEKENING EN SCHILDERIJ (J.W. BILDERS) 

Michiels oppert de mogelijkheid dat er een molen 21 is geweest enkele honderden meters 
stroomafwaarts van de sprengkop van de Heelsumse beek. Daar zijn enkele min of meer 
cirkelvormige verbredingen 22 - vijvers - en dat lijkt inderdaad de meest logische plek voor een 
molen in het gebied: de vijvers - weyerd of weyers genoemd - maar ook de "zijbeekjes" ter 
plekke dienen om een geregelde waterlevering aan de molen te waarborgen, voor het geval er 
stroomopwaarts een nieuwe molen zou worden gevestigd. 



36 




EEN WEYERD IN DE HEELSUMSE BEEK 

De weyerd ligt nabij de sprengkop van de beek en direct naast het punt 

waar de noordzuidweg het beekdal passeerde. 

Er is een tekening van B. Kempinck uit 1616 die een molen laat zien - een korenmolen - 
ten noorden van de Heelsumse beek en de Wolfhezebeek. De site Papiermolens aan de 
Wolfhezerbeek (members.chello.nl) laat ook zien dat ongeveer op deze plek een molen heeft 
gestaan. 

Alhoewel de situatie allesbehalve duidelijk is - archiefbronnen zijn niet gevonden en 
archeologisch onderzoek ontbreekt - kunnen er toch wel enkele kanttekeningen worden 
gemaakt: 

• De korenmolen uit de tijd van de 14 e -l 5° eeuw kan niet dezelfde zijn als die welke Kempinck 
in 1616 tekent, omdat de lokaties niet kloppen. De eerstgenoemde molen moet hebben gestaan 
aan de Zwarte Kolkbeek en de tweede aan de Heelsumse beek, die dateert van na 1600. 

• Op de tekening van Kempinck staat de molen ten noorden van de Wolfhezebeek. Dit is 
echter de meest noordelijk gelegen beek in het beekdal en het is uitgesloten dat er een nog 
noordelijker beek zou zijn geweest. 

• Oltmans rekent "zijn" beek tot hof Wolfheze. De westgrens van de hof wordt 
hoogstwaarschijnlijk gevormd door de landweer. Ergo, de molen heeft often westen van de 
landweer gestaan, maar behoort dan niet tot hof Wolfheze of de molen heeft juist ten oosten 
van de landweer gelegen, op "hoffelijk" gebied. 

Maar, zou dit laatste het geval zijn dan zou de molen - inclusief regelingen betreffende 
vergoeding voor waterrechten, het schoonmaken van de beken - zeker apart zijn vermeld in de 
leenbrieven. En dat is niet het geval. 



37 



• De Heelsumse beek moet welhaast zijn gegraven met de bedoeling er een papiermolen te 
vestigen. Dat laat onverlet dat er toch een korenmolen kan zijn aangelegd. 

De voorlopige conclusie moet zijn dat er in de Late Middeleeuwen geen molen is geweest 
op hof Wolfheze. Als er al een molen in het gebied is geweest - en dat is waarschijnlijk - dan 
heeft die ten zuidwesten van de hof gestaan, nabij de westelijke grens van Oud-Wolfheze, of 
nog verder stroomafwaarts. 

Aan het eind van de 17 e eeuw wordt op de wildforsterij een papiermolen gebouwd. Deze 
wordt in de deelstudie Het Wildforstergoed behandeld. 

RONDEEL EN LANDWEER 

Ook de aanleg resp. de opbouw van landweer en Rondeel is een flink karwei geweest. 

Het Rondeel ligt ten zuidwesten van de kerk, op ca. 600 m afstand hemelsbreed en ca. 50 m 
ten zuiden van de heerwech. 

Het Rondeel is een kunstmatige verhoging in het beekdal die aan alle zijden wordt omgeven door 
de Wolfhezebeek en de Rondeelbeek. Het doet denken aan het heuveltje in de Molenbeek bij 
Quadenoord, ook al is de vorm anders. Het heeft hoogstwaarschijnlijk gediend als observatie- 
en/of controlepost langs de heerwech en de noordzuidweg. En dat niet alleen ten behoeve 
van de leenmannen van hof Wolfheze, maar waarschijnlijk ook voor de heer van Gelre om te 
verhinderen dat er illegale goederenvervoer over de Rijn zou plaats hebben, zie 7.2. 
Het Rondeel dateert uit de 15 e eeuw of eerder. 

Het is de vraag of het Rondeel vanaf het begin is voorzien geweest van de uitgebouwde ronde 
hoeken. Mogelijk, maar niet waarschijnlijk zijn die later - maar voor 1553 - aangebouwd om 
het Rondeel ook een functie als veldschans te geven. Hoe dat ook zij, de ronde hoeken zullen 
door middel van vlechtwerk ("korven") zijn versterkt om afkalving door het langsstromende 
beekwater te voorkomen. Daarnaast bieden deze hoeken het voordeel van overlappende 
schootsvelden vanaf het Rondeel in het voorterrein. 

Een landweer is een doorgaande aarden wal in het veld, vaak met een droge greppel of een 
gracht en voorzien van een doornen haag ter beveiliging van een bepaald gebied. 




HET RONDEEL IN 2008 
Het Rondeel vanuit het noorden gezien. 



38 



De landweer - de greppel en de wallen die loodrecht op de heerwech staan - iets ten westen 
van het Rondeel vormt als het ware de poort die alle vrachtverkeer van en naar Arnhem 
moet passeren. Vennoedelijk is er bij de landweer een slagboom geweest en zal er tol zijn 
geheven. 

In de visie van deze auteur hebben Rondeel en landweer een complex gevormd. Meer details 
zullen ongetwijfeld voortkomen uit het onderzoek van het AAC. 

Tot nu toe zijn op de Veluwezoom niet meer landweren aangetroffen. In Brabant, op de 
oostelijke Veluwezoom, in de Achterhoek en in Duitsland komen ze tamelijk frequent voor. 




DE LANDWEER ANNO 2008 



BEVOLKINGSOMVANG 

Groneman is de eerste die dit aspect behandelt. 

Uitgaande van zijn - niet door feiten gestaafde - mening dat op het kerkhof meer dan 30 
mensen begraven zouden zijn geweest komt hij tot de uitspraak: hoeveel dichter bevolking 
moet toen deze streek bezeten hebben, vergeleken bij tegenwoordig! Nu wordt hier in de buurt 
noggeen dental huizen aangetroffen! 

Maar afgaande op de feiten die Groneman presenteert - drie schedels op het kerkhof en 
restanten van zeven mensen in de kerkgraven - is de bevolking aanzienlijk kleiner geweest 
dan hij veronderstelt. Immers, als de bevolking tien mensen zou hebben omvat gedurende 70 
jaar (twee generaties) hadden er al meer mensen kunnen zijn begraven. 



39 



Toch blijven er vragen. De geraamteresten op het kerkhof liggen dicht onder het maaiveld 
(een handbreed aarde). Het lijkt alsof de graven zijn geschonden; de kerkgraven zijn zeker 
geschonden. 

Oltmans geeft in schetsteekening en tekst een beeld van het Wolfheze zoals dat er omstreeks 
1500 heeft uitgezien 23 . 




PLATTEGROND VAN WOLFHEZE OMSTREEKS 1500 
Bron: "Het landgoed Wolfhezen", A. Oltmans. 



Op basis van zijn kaart wordt voor het jaar 1500 de volgende tabel samengesteld 2 ' 



HOF 



WILDFORSTERIJ 



Huizen/bouwhoeven/schuren 
Bijzondere bebouwing 
Schatting aantal mensen 



Kerk, molen, burcht Geen 

ca. 15 + bewoners molen ca. 30 



Opmerkingen: 

1 . Hier wordt de visie van Oltmans uitgewerkt. Zoals reeds uiteengezet heeft hof Wolfheze 
vermoedelijk geen molen gehad. Een kasteel is er zeker niet geweest. 

2. De berekening is gebaseerd op pag. 36 van De Bourgondische Nedeiianden van 

W. Prevenier, ISBN 90-6153-119-5, waar staat dat een gezin op de Veluwe gemiddeld 
5,8 personen omvatte. De aanname hierbij is dat 1 opstal = 1 gezinshoofd. 

3. H.K. Roessingh in Het Veluwse inwonertal, 1526-1947, AA.G. Bijdragen 1 1 becijfert 
het inwonertal van Oosterbeek, Doorwerth en Renkum in totaal op 620 in 1650 en van 
Doorwerth en Renkum in totaal op 400 in 1526. Hij hanteert voor het platteland van de 
Veluwezoom enkele conflicterende getallen en ratio's. 

In 1505 worden vier huizen, alle behorend tot de wildforsterij, vernietigd door de Galioten 25 . 
Als gevolg daarvan zijn twee Wolfhezenaren naar elders verhuisd. Of zij alleenstaanden zijn 
dan wel een gezin hebben is onbekend. 



40 



Op de Proceskaart uit 1553 staan in het zuidoosten drie opstallen, ogenschijnlijk een 

huis met schuur en een arbeidershuisje, waarschijnlijk gelegen op grondgebied van het 

wildforstergoed. 

Het huis is bezit of eigendom van Johan Stratius die zijn werk in Arnhem heeft. Verder de 

kerk en de pastorie, het Rondeel en een hoeve met twee schuren en een arbeidershuisje. In 

feite wijkt de Proceskaart qua aantal schuren/woningen niet af van Oltmans' visie ter zake, 

d.w.z. na aftrek van de in 1505 verwoeste huizen. 

De Ridder stelt op basis van de Proceskaart dat het aantal inwoners van Wolfheze in de 
Middeleeuwen niet meer dan 20 tot 30 personen heeft bedragen. Maar de kaart toont alleen 
de hof. De bestpassende conclusie is wellicht dat het dorp, d.w.z. hof Wolfheze en het 
wildforstergoed, minimaal ettelijke tientallen bewoners heeft gehad aan het begin van de 16 e 
eeuw; ten tijde van de bouw van de kerk zijn er minder geweest. 

Uitgaande van de vuistregel die wel wordt gehanteerd voor schattingen over de Veluwse 
bevolking als geheel leveren 5 huizen en een oppervlak van hof Wolfheze van ca. 2 km 2 een 
bevolking op van ca. 30 mensen in de hof in 1553 26 . 

Hoeveel mensen buiten de nederzetting, maar in het kerspel Wolfheze, van tijd tot tijd hebben 
gewoond is onbekend. Van de Bunt 27 meent dat heerlijkheid Doorwerth eeuwenlang ca. 200 
inwoners heeft gehad. Daarbij moet worden opgemerkt dat de heerlijkheid qua oppervlak 
aanzienlijk kleiner is geweest dan de parochie maar een hogere bevolkingsdichtheid heeft 
gehad. 

Heeft Doorwerth inderdaad 200 inwoners gehad - de schatting lijkt realistisch - dan zal kerspel 
Wolfheze hooguit ca. 250 inwoners hebben gehad en (veel) minder ten tijde van de bouw van 
de parochiekerk. 

SOCIALE STRUCTUUR 

Het lijkt aannemelijk dat de nabijheid of de betrokkenheid met het dorp van zoveel adePals 
ook de aanwezigheid van een parochiekerk invloed hebben gehad op het denken en doen van 
de dorpelingen. 

Ook lijkt Wolfheze een geheel eigen sociale opbouw te hebben gehad. Dat kan althans 
worden afgeleid uit de al aangehaalde kaart en beschrijving van het dorp omstreeks 1500 door 
Oltmans. 

Hij suggereert dat de verhouding voorname huizen : gewone huizen =1:1. Bepaald 

ongewoon. 

Maar de visie van Oltmans kan gemakkelijk worden onderbouwd. 

De voorname huizen worden bewoond door de pastoor, de wildforster en Johan Stratius, jurist 

aan het Hof van Gelre en Zutphen, burgemeester van Arnhem en bekleder van andere hoge 

functies. De wildforster is gehouden permanent een logement vrij te houden voor de heren van 

Gelre en dat zal geen gewoon huis zijn geweest. 

Overigens moet men zich van de huizen geen al te grote voorstelling maken. De onderklasse - 
horige landarbeiders - woont in plaggen hutten. Later, tot in de 1 8 e eeuw, zullen de huismuren 
vaak hebben bestaan uit vlechtwerk en nog weer later uit vlechtwerk en baksteen. Waarschijnlijk 
worden de geheel uit baksteen opgetrokken huizen pas in de 19 e eeuw gebouwd. 



41 



Ook de parochie zal - vooral gegeven de aanwezigheid van kasteel en heerlijkheid 
Doorwerth binnen de kerspelgrenzen - een ongewone sociale opbouw hebben gehad. 
Het is verleidelijk om als maatstaf te nemen de verhouding tussen de begravenen op het 
kerkhof en die in de kerk (resp. < 30 en 7, ratio 4,5 : 1), maar te bedenken is dat de skeletten 
van het kerkhof sneller kunnen zijn vergaan door hun ligging in het open zand dan die van 
de kerkgraven. 

KERKELIJK LEVEN 

Het dagelijkse leven in de Middeleeuwen raakt in toenemende mate doortrokken van christelijk 
godsgeloof en christelijke symboliek. De relaties tussen kerk en overheid zijn nauw en talrijk. 
Vanaf medio 15 e eeuw raakt de kerk te Rome in verval en dat heeft doorgewerkt tot in alle 
geledingen van de kerk, in Rome en in de periferie. 

Over het kerkelijk leven in parochie Wolfheze tot aan omstreeks het begin van de 15 e eeuw 
is niets bekend. De vroegste indicatie van een kerk te Wolfheze komt uit de stadsrekening 
van Arnhem. Onder de "uitgaven" van 1390/1 wordt vermeld: Die clocke van Wolfhesen afte 
wynen IX sc.iiij d (9 schellingen, 4 penningen). Geen klok zonder toren en kerk, althans toen 
en daar. 

Wat afwynen precies inhoudt is onbekend. Groneman denkt aan afwinden, afhijsen. A.J.C. 
Kremer, oudheidkundige te Arnhem vraagt zich in de Arnhemsche Courant van 26 juni 1891 
af Wat betekent dat? Was de klok te Wolfheze gegoten of was Wolfhees een huis ofpersoon te 
Arnhem? Volgens Groneman zou Kremer later diens visie hebben overgenomen. 

Volgens de woordenboeken Middelnederlands van Verwijs e.a. en Pijnenburg uit 1 885 en 1 984 
heeft "afwinnen" meerdere betekenissen: veroveren, gerechtelijk in bezit nemen, een vonnis 
tot betaling krijgen tegen iemand, weghalen, scheiden van. Verwijs signaleert het gebruik van 
het woord in 1356 en 1409. 

Hoe dat ook zij, de reden voor het "afwynen" blijft onbekend; er is geen bewijs dat Arnhem 
de klok in bezit of eigendom heeft genomen. 

Misschien is Arnhem in 1390 alleen behulpzaam geweest bij het weghalen van de klok. Het 
aangegeven bedrag lijkt niet op een grote klus te wijzen. De vraag of de kerk het dan tot aan 
zijn ontmanteling in de 1620-er jaren zonder klok heeft moeten doen blijft onbeantwoord. 
Of waren er twee klokken: een ongewijde dorpsklok voor algemeen civiel gebruik (gevaar, 
afkondiging bestuurlijke maatregelen e.d.) en een gewijde kerkklok (eredienst, begrafenis, 
huwelijk)? 

Hoe dan ook, als er na verwijdering van de klok geen andere overblijft is het ongemak 
voor de dorpelingen groot. En potentieel gevaarlijk. Immers, zij kunnen niet meer worden 
gewaarschuwd voor dreigend gevaar. 

Gewoonlijk wordt het doel van het klokluiden aangegeven door de klank, de duur en de manier 
van luiden. Op deze wijze wordt ook duidelijk gemaakt tot welke klasse een overledene heeft 
behoord. 

De klok zal in de nederzetting goed te horen zijn geweest, maar in de buurtschap van Heelsum 
en in kasteel Doorwerth in het geheel niet. Overigens: De klok kan, zoals dat ook b.v. in 
Oosterbeek en Heteren is gebeurd, ter plekke in de kerk zijn gegoten. Groneman zegt echter 
niets over een kleivorm, een mal, binnen het kerkfundament. 



42 



Alhoewel de wildforsterhoeve in parochie Oosterbeek ligt, zullen de wildforsters wel in 
Wolfheze ter kerke zijn gegaan. Ook de Heelsummers kerken in Wolfheze; hun buurtschap 
ligt nabij de plaats waar in de periode 1517-1519 de kapel wordt gebouwd en zij zijn dus over 
de heerwech naar Wolfheze gegaan. 

De kerk wordt aanvankelijk ook bezocht door de inwoners van Heteren. Vanuit het zuidelijk 
deel van de parochie komen de kasteelbewoners en -bedienden als ook een deel van de 
bewoners van hof Seelbeek in Wolfheze naar de kerk. 

Een document uit 1625, getiteld Bepalinge van onse hecgen aen 't Lege Erfftott Wolffhesen, 
g(e)n(aemt)t Heer Arndts Enck en(de) Laeuwicker Velt gehoerende geeft aan dat er een pad, 
Kerckwech genoemd, vanuit het zuiden, langs de heg Het Schiltjen naar de kerk leidt. De heg 
ligt op het terrein van de villa gelegen aan de noordzijde van de Utrechtseweg, tegenover de 
Kerklaan. 

Michiels wijst op een kaart uit 1668 waarop de Wolffheeser Kerckwech staat die voert van 
Doorwerth naar het godshuis in Wolfheze. Het zijn vooral de parochianen uit het zuidoostelijke 
deel van de parochie die deze weg hebben gebruikt. Het pad is nu nog te zien aan de 
Utrechtseweg, iets westelijk van de Wolfhezerweg, tegenover de Kerklaan. 

De kasteelbewoners hebben de Holle Weg genomen om dan op de Oosterbeekse weg een 
kaarsrecht naar het noorden lopende weg te nemen (nu de Kasteelweg), die via het Kousenhuisje 
direct naar de kerk leidt. Ook dit traject is nog goed herkenbaar in het veld. 

De heren van Doorwerth zijn niet bepaald gecharmeerd van het feit dat hun heerlijkheid geen 
eigen kerk heeft gehad, maar deel uitmaakt van parochie Wolfheze. Immers, zij moeten nu 
volgens kerkelijk recht voor zekere geloofsbedieningen naar de Wolfhezer kerk reizen. Rond 
1425 bouwt de heer van Doorwerth een eigen kapel. Ongetwijfeld zal het dedain van huis 
Doorwerth voor de Wolfhezer kerk van invloed zijn geweest op de bedienden van het kasteel. 
Elders in dit werk wordt dit alles uitvoerig behandeld. 

Een en ander leidt er toe aan te nemen dat er nauwelijks sprake zal zijn geweest van een hecht 
kerkelijk leven in de parochie, hooguit van contacten op zondagen, kerkelijke feestdagen en 
bij andere gelegenheden. 

Voor de parochianen is de reformatie een tijd van grote onzekerheid geweest. In welke mate 
kan men meegaan - durft men mee te gaan - met de nieuwe leer? Veelal zal een afwachtende 
houding zijn aangenomen. Immers, de heer van Doorwerth blijft trouw aan de oude leer en 
de leenman van de kerk in deze tijd, de landcommandeur van de RDO, ook. Het huis Van 
Middachten - de opperwildforster - verandert evenmin van geloofsrichting. 

Het allereerste begin van de reformatieperiode aan de Veluwezoom valt in het begin van de 
1520-er jaren. Dan aanvaarden de monniken van Mariendaal de leer van Maarten Luther of 
sympathiseren ermee. 

Te Arnhem worden protestantse ketters verbrand of in de Rijn verdronken. Rond 1550 zijn de 
inquisiteurs Sonnius en Gruwel actief. 

Aangenomen wordt dat omstreeks 1580 de nije leer ingang begint te vinden bij de bevolking 
van de Veluwezoom. Arnhem verbiedt in april 1581 alle papistische ceremonien en verplicht 
in 1587 alle inwoender ende burger om de gereformeerde diensten bij te wonen. 



43 



De Oosterbeekse pastoor Henrick van Maenen (1570) zal wel de laatste pastoor van voor de 
hervorming zijn geweest. De laatste pastoor van Renkum zal Johan van Cruchten (1578) zijn 
geweest. 

Deze schattingen over de vordering van de reformatie worden bevestigd door het volgende: 
In 1588 zijn er onderhandelingen gaande tussen de raad van de stad Arnhem en de heer van 
Doorwerth als pandhouder der Prumensche tienden, over het verpachten der tienden, tot 
verhoging van het traktement der Arnhemsche predikanten. Op 11 juli 1589 wordt hierover 
een overeenkomst bereikt: de heer van Doorwerth zaljaarlijks 450 a 500 gulden ten behoeve 
der beide predikanten te Arnhem betalen 29 . De heer van Doorwerth zal zeker niet enthousiast 
zijn geweest over deze onderhandelingen. 

Het duurt op zijn minst nog tientallen jaren voordat de bevolking zich geheel tot de nieuwe leer 
heeft bekeerd. In 1608 schrijft Prins Maurits aan Hendrik IV dat enkele provincies, waaronder 
Gelderland, nog grotendeels katholiek zijn. 

De ongeregeldheden die veelal met de komst van de reformatie gepaard gaan - Sloet 30 : Anno 
1566 wert in Arnhem door het gemeen in de kerken de beelden verbrooken - hebben zich in de 
parochie Wolfheze waarschijnlijk niet voorgedaan. 

De heer van Doorwerth zou ze binnen zijn heerlijkheid niet hebben getolereerd en heeft zijn 
kerk in Heelsum vast (extra) laten bewaken. 

De kerk van Wolfheze - voor zover nog als godshuis in gebruik - lijkt trouwens geen voor de 
hand liggend doel voor de beeldenstormers. De kerk is al geruime tijd in verval, het dorp is 
slechts enkele verspreid liggende huizen en hoeven groot en de grotere woonkernen in het 
gebied (Doorwerth, Renkum) liggen op kilometers afstand. 

Katholiek gebleven adellijke geslachten bieden soms onderdak aan een huispastoor of een 
rondreizende priester en zo ontstaan katholieke concentraties, staties genoemd. Staties op de 
Veluwezoom zijn die van Doorwerth en Grunsfoort en - op de zuidoostelijke Veluwezoom - 
kasteel Middachten 31 . Het huis Doorwerth blijft tot ver in de 17 e eeuw de rooms katholieke 
leer toegedaan en dwarsboomt het protestantisme binnen zijn gebied. Zo blijkt b. v. in 1617 dat 
tot Helsum by gebreck dat aldaer geen predicant en is, die kinders van papen ende monicken 
gedoopt werden. Pas in 1657 werkt het huis mee aan de renovatie van de Heelsumse kerk 
waardoor pas dan de gereformeerde eredienst in de heerlijkheid Doorwerth kan worden 
gehouden. De RDO, van tijd tot tijd in het leenbezit van de Wolfhezer kerk, legt het rooms 
katholieke geloof in 1637 af. 

Het dorp is in deze tijd nauwelijks bevolkt geweest of is geheel op de nieuwe leer 

overgegaan. 

Uit de doopboeken van Gerard de Bruyn, een Utrechtenaar die als huispriester en missionaris- 

pastoor werkt vanuit Grunsfoort, blijkt dat in de periode 24 augustus 1666 tot 18 augustus 

1678 geen kinderen door hem zijn gedoopt in Wolfheze, terwijl hij wel kinderen in de wijde 

omgeving - langs de gehele Veluwezoom van Rhenen tot Oosterbeek - heeft gedoopt 32 . 

NETWERKEN 

Zoals elders in deze scriptie vermeld hebben de nederzetting en de parochie van Oud -Wolfheze 
veel van doen gehad met adellijke en andere vooraanstaande families. 

Hier volgt nu een korte schets van hun onderlinge verhoudingen. 



44 



Huis Van Montfoort 

Dit huis is van voor 1413 eigenaar van de Wolfhezer kerk. Vanaf 1413 - maar mogelijk eerder 
- wordt de kerk beleend. De contacten van dit huis met de hertog van Bourgondie zijn zo goed, 
dat op 9 november 1432 de heer van Montfoort door Philips Van Bourgondie wordt benoemd 
tot zijn raad 33 . Maar in de 1450-er jaren ontpopt Jan Van Montfoort zich als de grote opponent 
van Philips' zoon David, bisschop te Utrecht. Vanaf 1413 - en mogelijk daarvoor al - wordt de 
hof tot in de 17 e eeuw beleend. 

Huis Van Wij he 

Leenman van huis Montfoort van 1413 of eerder tot aan 1437 voor kerk en goed te Wolfheze. 
Belia Van Wijhe is de moeder van Evert Van Wilp, Evert I in dit werk. 

Vanaf 1 424 is Henrick Van Wijhe de leenman van Huis Doorwerth van het guet tot Oorsprongen. 
Hij is in 1428 ook eigenaar van Sonnenberg. 

Huis Van Wilp 

• Evert I 

Evert I bezegelt in 1429 het verdrag tussen Hertog Arnold en bisschop Rudolf. In 1437 bezegelt 
hij de verbondsbrief met Veluwe en neemt hij gronden en goederen te Wolfheze in bezit. 
Gedeputeerde van Veluwe in 1441. In 1444 treedt hij op als getuige van de bisschop van Utrecht, 
wordt hij door hertog Arnold tot ridder geslagen wegens manmoedig gedrag in de slag tegen 
hertog Van den Berg en wordt hij gevangen gezet. Omstreeks 1446 treedt hij op als rait (raad) van 
de hertog van Gelre. Op 20-09-1456 wordt hij door de Utrechtse bisschop David Van Bourgondie 
met Wilp beleend. Wellicht is er een verband met het feit dat Philips omstreeks deze datum 
tijdens zijn aanval op Deventer, zijn legerkamp te Wilp heeft ingericht. 

Hij ontvangt in zijn kamp bezoek van Catharina van Gelre en haar zoon Adolf die Philips' 
steun zoeken tegen echtgenoot en vader Arnold. Omstreeks deze tijd ligt een Bourgondisch 
leger nabij de kerk te Wolfheze, waarvan Evert de leenman is. In juni 1458 krijgt Evert een 
verzoek van Gelre om deputaat te worden, zoals zijn buurman Reinald Van Homoet van 
Doorwerth het verzoek krijgt om deputaat van Veluwe te worden. 

• Evert II, de zoon van Evert I 

In 1468 steunt Evert II Adolf van Gelre in de slag bij Stralen tegen Jan Van Kleef In maart 
1469 stelt hertog Adolf een nieuwe ridderorde in en Evert II enzijnoomWijnandVanArnhem 
worden er samen met elf anderen in benoemd 34 . Nog in datzelfde jaar verschijnt hij als ridder 
op een Quartierdag van ridders en knapen. In 1472 wordt Evert uitgezonderd van verzoening 
met Bourgondie 35 , maar op 12 mei 1475 is hij raad en kamerling van Karel Van Bourgondie, 
bevindt zich in het leger van Nuis en besluit Karel dat Evert in het bezit van de tienden van 
Arderbroek en Wilp moet worden gelaten 36 . 

Voor mei 1475 heeft hij de hertog van Gelre gesteund. Vermoedelijk gaat hij naar het 
Bourgondische kamp over omdat dit dan succesvol is in zijn strijd tegen Gelre. 

In 1473 wordt Arnhem ingenomen door Karel de Stoute van Bourgondie. Vanaf 1477 zijn 
de rollen omgekeerd. Karel de Stoute sneuvelt op 5 januari, de Bourgondische organen 
van bestuur en rechtspraak - en daarmee de Bourgondische ambtenaren - verdwijnen en 
vertegenwoordigers van de steden en de ridderschap vullen het ontstane machtsvacuum op. 

In de 1490-er jaren steunt Evert de hertog van Gelre. In 1492 vergezelt hij Karel Van 
Egmond bij diens intocht in Gelderland en in 1499 is hij een financier van de reis van hertog 
Karel naar Frankrijk. 

Hij overlijdt in maart 1505. 

45 



De Van Wilps wonen op Rosande, een hoge heerlijkheid annex kasteel en een leen van 
Doorwerth. 

De familie is leenman van Montfoort tussen 1437 en 1501 voor hof Wolfheze en - in de 2 e 
helft van de 15 e eeuw - leenman van St. Pieter te Utrecht voor de helft van het veer op de 
Praats te Arnhem. 

Huis Van Middachten 

In de tweede helft van de 15 e eeuw is Arend Van Middachten de opperwildforster. Hij is 
gehuwd met Belia Van Wilp, de zuster van Evert II. Arend is de Gelre-zaak toegedaan en heeft 
moeite met het gedrag van zwager Evert, wiens loyaliteit slingert van Gelre naar Bourgondie 
en terug. 

De heer van Middachten heeft sedert 1340 het ambt bekleed van overste wildfurster, namens 
de hertog van Gelre. Hij is dus de baas van de Wolfhezer wildforsters, in casu - in de 14 e , 15 e 
eeuw en het eerste deel van de 16 e eeuw - de Van Lawijcks. 

Huis Van Lawijck 

Dit huis behoort tot de lagere adel. In 1366 krijgt Arend Van Lawijck het Wolfhezer 
wildforstergoed in leen van Eduard Van Gelre. Hij israadvanEduardin 1363,richterenlanddrost 
van Veluwe in 1 367 en 1 368 en bezegelt als een der getuigen/borgen de huwelijksvoorwaarden 
tussen Eduard en Catharina Van Beieren in 1368. Hij is burger van Arnhem en overlijdt in 
1402. Rond 1455 onderhouden de Van Lawijcks vrij intensieve contacten met Willem Ingen 
Nuwelandt, de latere pastoor van Wolfheze. Vanaf 1490 hebben kleinzoon Johan van de zojuist 
genoemde Arend en latere familieleden waarschijnlijk gedurende zekere tijd kerkgifterechten 
gehad op de Heterense kerk, zie hoofdstuk 6, noot 22. 

Huis Doorwerth 

Eigenaar van kasteel Doorwerth en vanaf 1402 leenman van de hertog van Gelre voor kasteel, 
heerlijkheid en beboste gronden in Wolfheze. Leenheer van Rosande, domicilie o.a. van de 
laatste Van Wilps. 

Parochiaan van kerspel Wolfheze. Moet zich laten welgevallen dat anderen - de huizen Van 
Montfoort, Van Wijhe, Van Wilp en de RDO - bepalen wie de parochiepastoor van Wolfheze 
zal worden. Waarschijnlijk hebben de beide laatste Everts Van Wilp zich in de selectie van 
pastoors mede laten leiden door influisteringen van huis Doorwerth; dit lijkt althans in 1437 
en in 1461 te zijn geschied, zie 6.1. 

In de 1460-er jaren is Maria Van Homoet gehuwd met Sweder Van Montfoort, zoon van Jan 
Van Montfoort die Evert Van Wilp met Wolfheze beleent. Sweder wordt er in zijn eigen familie 
van verdacht zijn vader te hebben vergiftigd. 

Ridderlijke Duitse Orde 

De RDO is een trefpunt van de hoge adel in de Lage Landen. 

Vanaf 1501 is de landcommandeur van de RDO leenman van huis Van Montfoort voor de kerk 
en gronden van Wolfheze, als ook van de kerk te Heteren. In 1501 is dat Steven Van Zuylen 
Van Nyevelt. Hij is niet alleen leenman van de kerk, maar ook raad van de hertog van Gelre en 
deze op zijn beurt is weer de leenheer van de wildforsters, de Van Lawijcks. De RDO - evenals 
het bisdom gehuisvest in de stad Utrecht - blijft de rooms katholieke leer toegedaan tot in 
1637, dus tot lang na de reformatie. 



46 



VETES 

De archieven over Wolfheze tot aan de 1620-er jaren bevatten drie civiele geschillen. 
Steeds is de wildforsterij een der partijen en dat is niet verwonderlijk omdat dit goed groot is 
en expansief optreedt. 

De eerstbekende vete doet zich voor in 1495 en 1496 tussen enerzijds Henrick Van Lawijck 
en anderzijds Katharina Veenmans en Lodewijk, een van 's hertogs seruieren, die Henrick 
de eigendom betwisten van zijn goed. Op 3 oktober 1496 verzoekt Henrick de stad Arnhem 
om Kathrin Veenmans en zekeren Loedwich te verbieden inbreuk te maken op zijn goed bij 
Wolffhesen in het kerspel Oesterbeeck. Zijn verzoek wordt ingewilligd. 

In 1539 wordt het goed van Gertrud Van Lawijck opgeeist door Hendrick de Groeff, erfvoogd 
van Erkelents. Waarschijnlijk kraakt hij de hoeve. Alhoewel de Groeff een machtig man is - en 
gewoonlijk riicksichtslos te werk gaat - moet hij het afleggen tegen Gertrud. 

Deze beide confiicten worden hier niet verder behandeld, maar in de deelstudie Het 
Wildforstergoed komen ze uitvoerig aan de orde. 

De derde vete - tussen Anna Droechscherer van het wildforstergoed en Johan Stratius - is 
van een andere orde. Niet alleen speelt het geschil zich af op het grondgebied van parochie 
Wolfheze, dit conflict heeft de rechtszaal gehaald en het proces is de reden waarom de 
Proceskaart - de oudst bekende kaart van de nederzetting - in 1553 is gemaakt. 












-.r.--.Fp''' 




: ' • -V:. ' ■ 


•, 


"%." "'"''. " 




- r L-'^ Mi : '■ 


',9 



DE PROCESKAART UIT 1553 

Het huis van Stratius staat links boven. Om naar de heerwech te komen moet hij ettelijke 

honderden meters over grondgebied van het wildforstergoed reizen. In de rechterhoek het 

Rondeel met een boerderij en bijgebouwen. 

Bron: Gelders Archief Arnhem. Algemene Kaartenverzameling. Kaart nr. AKV Negatief 1141. 



47 



Droechscherer versus Stratius 

Johan en Anna Droechscherer hebben het goed in 1540 overgenomen van Gertrud Van 

Lawijck. 

Na de dood van Johan in 1547 neemt Anna het beheer van het goed ter hand. 

De akkers, sedert ca. 1520 braakliggend en verwilderd, gaat zij weer cultiveren. 
Hierdoor wordt de weg van het huis van Stratius naar de heerwech afgesloten, waardoor 
het conflict ontstaat, dat in 1553 uitmondt in een proces. Stratius' woning ligt op of bij het 
driehoekige veldje aan de westzijde van de Wolfhezerweg, tegenover hotel Wolfheze en iets 
ten zuiden van de parkeerplaats. 



f iflU i"~ ' 1 1 dli 




DE OMSTREDEN WEG 
De laatste meters van de omstreden weg juist voor de aansluiting op de heerwech. 

De fundamenten van de woning zijn in het veld niet meer te traceren; ze zouden onder de 
Wolfhezerweg kunnen liggen. 

Vanaf zijn huis moet hij in noordwestelijke richting rijden om de heerwech te bereiken 
en vandaar zijn reis - die gelet op zijn functie, vaak naar Arnhem zal hebben geleid - te 
vervolgen 37 . 

Het traject van zijn woning tot aan de heerwech wordt op de Proceskaart als stridigen wech 
(omstreden weg) aangeduid en voert over de gronden van Anna. Dit traject kan op grond van 
de afmetingen van deze kaart zelf worden geschat op enkele honderden meters en het voert 
voor ca. 3 A over de akkers die Anna weer in cultuur wil brengen 38 . Of al in cultuur gebracht 
heeft. 

Ter zitting wordt een kaartje van de nederzetting gebruikt, getekend door ene Jan van den 
Dorpe, de Proceskaart. Tijdens het proces wordt een aantal getuigen gehoord. Zij verklaren 
bier, turf, mest, vee en leem over de weg te hebben vervoerd. Een van hen is Jacob Jacobssz. 
die meldt dattet vyer und vijftich jaer geleden (was) dat een bouwman, geheiten Derick 
Henrickssz. woenden op erff und guet geheten Heren Arntz Enck, und dat doe ter tijt korn 
stonde op dat een eynde van den camp, bij den huyse gelegen, daer dat nu steet; daer voer 
Doctor Stratius nu den wegh hebbende will, und dattet erff und guet vursschreven daer noe 



48 



waell dartich jaeren wnst gelegen und nyet bewoent, noch gebouwet iss worden, soe doe dat 
huyss daer affverbrant wart, und dat doe ter tijt ass dyt erffund guet vursschreven wust lack, 
een yder daer aver gefaeren heefft, waerdattet hen lusten und gelieffden. 

Een andere getuige, Peeter Cornelissz., meldt dat doctor Stratius en sijn luijden met een 
Brabantse wagen over den stridigen wech reden. 

Hoe het proces is afgelopen is onbekend. Overigens is het de vraag of Stratius het huis voor 
permanente bewoning heeft gebruikt. De man is hoog opgeleid, heeft tal van hoge funkties 
bekleed en reist veel voor zijn werk 3 '. Waarom zou hij zich permanent in een boerendorpje 
vestigen? Hoe dat ook zij, rond 21 april 1561 woont Stratius op de Gulden Spiker (De Zijp, 
Arnhem), dus vlak bij zijn werk en - gemakkelijk met het oog op zijn vele reizen - bij de 
heerwech. 



^ 



VERMOEDEL1JK SCHILD VAN JOHAN STRATIUS 

Een bok in een geel veld met horizontale strepen, afwisselend wit en groen. 

Groen is een tamelijk ongebruikelijke kleur in de heraldiek. Waarschijnlijk waren de balken 

oorspronkelijk blauw en waren de pigmenten in de verf instabiel. 

Blauwe verf kleurt vaak groen in de loop der tijd. 



OORLOGEN EN GERUCHTEN VAN OORLOGEN 

Oud-Wolfheze en omgeving hebben in de loop der eeuwen tot in het eerste kwart van de 
17 e eeuw, wanneer de resten van de kerk worden verkocht, vele oorlogen en conflicten 
meegemaakt. 

Een aanwijzing daarvoor is wellicht het gegeven dat de kerk een toren heeft gehad en geen 
koor. Usance is dat men eerst een zaalkerkje bouwt en dat later vergroot met een koor alvorens 
het - nog weer later - van een toren te voorzien. Waarom is dat hier niet gebeurd? 
Heeft de bevolking meer behoefte gehad aan de extra veiligheid die een toren kan bieden 
dan aan een grotere kerk? Mogelijk. Waarschijnlijk zelfs, gelet op de gei'soleerde ligging 
van het dorp in het Veluwse landschap en het gegeven dat de bevolking zich niet onder de 
bescherming van een landheer in de nabijheid heeft kunnen stellen. Huis Doorwerth ligt op 
een afstand van ettelijke kilometers hemelsbreed, te ver weg om bij acuut gevaar bescherming 
te kunnen bieden. 

Enkele voorbeelden van conflicten: in de 1350-er jaren woedt het conflict tussen de Heekerens 
en de Bronkhorsten en het dorp ligt aan de route van Arnhem via Renkum naar Wageningen, 
waarvan de eerste wordt bedreigd en de beide andere verwoest. In 1 3 54 breekt de Boerenopstand 
uit, vooral op de Veluwe. Met name de zuid Veluwe heeft het zwaar te verduren. Op 24 maart 
1379 wordt Grunsfoort ingenomen door de heer van Montfoort. Of deze dan al eigenaar is van 
de Wolfhezer kerk is onbekend. 

De Stichts/Gelderse oorlog van begin 1420-er jaren voert de bisschoppelijke troepen - 
600 voetknechten, 500 ruiters - langs Wolfheze, onderweg van Renkum naar Arnhem. Te 
Renkum wordt een veldkamp opgeslagen, het dorp wordt verwoest. In november wordt 



49 



Wageningen ingenomen. In augustus 1456, tijdens de anti-Bourgondische strijd, heeft Philips 
Van Bourgondie zijn troepen gelegerd tot Oesterbeeck ende te Redichem 40 . En tenslotte de 
Gelderse oorlogen van Karel van Gelre tegen Karel V (1492-1538), de opstand tegen Spanje 
en de al genoemde aanval van de Galioten. 

Deze aanval heeft plaats gehad in de zomer van 1505, hoogstwaarschijnlijk nadat Philips Van 
Bourgondie - op 6 juni - Arnhem heeft ingenomen. De Galioten bezetten kloosters random 
Arnhem en ondernemen van daar uit strooptochten op de Veluwe. De Galioten, die zich in 
klooster Mariendaal hebben genesteld, komen naar Wolfheze, waarschijnlijk via de heerwech. 
In totaal worden vier van de elf huizen verwoest. 

Alhoewel Oltmans meent dat zij op eene verschrikkelijke wijze hebben huisgehouden, lijkt de 
aanval toch vrij "beheerst" te zijn geweest. Allereerst wordt er geen verlies van mensenlevens 
gemeld. Verder valt op dat hof Wolfheze - huizen en kerk - nauwelijks is beschadigd. 
Daar komt bij dat de aanval geconcentreerd is geweest op het wildforstergoed, drie van de 
vier verwoeste huizen behoren tot dit goed. Maar ook hier zijn de Galioten bedachtzaam te 
werk gegaan, want de hoeve is ongedeerd gebleven. Dit alles is hierdoor verklaarbaar dat de 
leenheer ervan de hertog van Gelre is, de grote tegenstrever van Philips in dit conflict. 

Het vierde huis dat is verwoest behoort aan Hendrick Jacobss. Het staat bij de kerk en behoort 
aan hof Wolfheze, sedert 1501 als leengoed van de burggraaf Van Montfoort aan de RDO. 

Oltmans zegt dat er in de tientallen jaren na deze verwoestingen minder activiteit was in 
Wolfheze. De bouwlanden worden verwaarloosd. Koster Robert die een huis had op de Enck 
verhuist naar Oosterbeek en Hendrick Jacobss. vertrekt naar Bennekom. 

Een reden - oorzaak is misschien een toepasselijker woord - voor al dit onheil over het dorp zal 
zeker de strategische ligging zijn geweest aan het al beschreven verkeersknooppunt. Er zullen 
op de weg veel troepenbewegingen zijn geweest. 

De meeste Wolfheze-auteurs menen dat dorp en kerk door oorlogshandelingen zijn verwoest 
en binnen deze opvatting zijn er dan meerdere theorieen over de precieze toedracht. 

Hier volgt nu een analyse van de verschillende visies. 

Eerst die van Groneman. 

Hij concentreert zich op de verwoesting van de kerk en een (vermeend) poortgebouw, is daarin 

vrij specifiek, maar zegt niets over wat er met de rest van het dorp kan zijn gebeurd 41 . 

> Aard der verwoesting. 

Groneman zegt dat kerk en poortgebouw door brand zijn verwoest, want daarvan: .... legden 
hoopen asch en houtskool, op verschillende plaatsen, buiten en binnen den bouwval, ook in 
de kleine poortriune, ongetwijfeld getuigenis af. In het poortgebouw treft hij houtskool aan 
en asch met puin en ijzerstukken vermengd. 

Deze opvatting wordt van het volgende commentaar voorzien. 

Groneman gebruikt een formulering die 21 e - eeuwers vreemd in de oren klinkt: men kan op 
een brandplek houtskool, as, puin en ijzer aantreffen, maar spreekt dan nog niet over een 
"vermenging" van die restanten. Ook niet als de voorwerpen door de hitte aaneen gesmolten 
zouden zijn. Hij heeft bedoeld dat die materialen door elkaar lagen; in een brief van 5 oktober 
1904 doet hij een soortgelijke uitspraak dat de door ons gevonden oudheden vermengd 



5(1 



waren. In 1910 beschrijft Goekoop de vondsten in de Koningsheuvel op soortgelijke 

wijze: stuitte de schep van op een klomp aarde met beenderen, vermengd met brokken 

houtskool. 

Het is de vraag of de hoopen asch en houtskool die in 1893 worden aangetroffen het bewijs 
kunnen leveren voor de verwoesting van kerk en poortgebouw door brand. Want: in welke mate 
kan een middeleeuws kerkje waarin, afgezien van enkele deuren, een houten dakkonstruktie 
en wat houten inventaris, geen brandbaar materiaal aanwezig is, door brand worden verwoest? 
Met het vele hout dat uit de bossen kan worden gehaald kan een flink vuur worden gemaakt, 
maar ook zo groot en intens dat de muren door de hitte instorten? 

Daar komen nog de volgende constateringen bij: 

• Groneman maakt geen melding van geblakerde muurresten, tegels, stenen of stukken lei. 

• Hij zegt 8 stukjes raamlood te hebben gevonden. Die zijn blijkbaar onvervormd, want hoe 
zijn ze anders als raamlood te herkennen? 

• Zoals nog zal blijken resteert in 1 628 nog zoveel hout van de kerk dat de vervallen kerk van 
Heelsum er (deels of geheel) mee zou kunnen worden gerestaureerd. 

Opvallend is ook dat as en houtskool buiten de beide mines op het kerkterrein worden 
aangetroffen. Groneman vermeldt niet waar precies hij dat vindt en op welke diepte. Hij moet 
er toch graafwerk voor hebben gedaan, want het is niet aannemelijk dat hij as en houtskool op 
het oppervlak aanziet voor de bevestiging van een brand vroeg in de 17 e eeuw. 

Ergo, Groneman 's bewijs voor verwoesting door brand is mager. 

Overigens, het is niet aannemelijk dat er een poortgebouw als toegang tot het kerkterrein is 
geweest. 

> Nu het jaar van de verwoesting. 

Groneman meent stellig dat de kerk niet in 1585 is verwoest. 

Hij schrijft: Thans willen wij hier nog de vraag laten volgen, of de tijd, waarin de kerk werd 

verwoest niet met eenige waarschijnlijkheid moet worden gezocht in 1624 of in 1629. Immers 

in den strengen winter van het eerstgenoemde jaar trok een Spaansch leger, onder Graaf 

Hendrik van den Berg, door "de Graafschap " naar Dieren en vie! daar, over den vastgevroren 

Yssel, in de Veluwe. "Op Zondag, 18 februari, kwam het Spaansche leger voor Arnhem.... 

doch scheide van de stad, zonder een ernstigen aanval beproefd te hebben en trok dienzelfden 

Zondag naar Ede Daar de kerk te Wolfhezen zoo te zeggen in de richting van den marsch 

dezer plunderende troepen lag, kan zij zeer goed bij deze gelegenheid vernield zijn geworden. 
Bekend is het, hoe weinig eerbied de Spaansche troepen zelfs voor geestelijke stichtingen der 

Roomsch Catholicken betoonden Wil men echter de vernieling der kerk te Wolfhezen, (die, 

omdat ook het poortgebouw gebrand heeft, gelijk door de houtskool en de asch bewezen wordt, 
die wij daar, bij ons opzettelijk onderzoek, met puin en ijzerstukken vermengd vonden) op een 
ander jaar stellen, dan kan men vijfjaar later aannemen toen een Spaansch en Keizerlijk 
leger onder denzelfden Graaf Hendrik van den Berg en Montecuculi op nieuw plunderend 
in de Veluwe viel en in Ede wederom "de ontzettendste wreedheden " gepleegd werden. Wij 
vermoeden dat uit een dezer jaren 1 624 of 1629 het zoogenaamde "spaansche pijpje " (no. 60) 
afkomstig is, waarvan wij eerst den kop en een paar dagen later het daaraan passende steeltje 
vonden, in het kerkkoor, bij het Zuid-Oost fundament. Dergelijke pijpjes werden ook in den 
aardenwal te Zutphen. ..gevonden, welke wal op het einde der 16e en in 't begin der 1 7e eeuw 



51 



door Prins Maurits, na de verovering der stad in 1591 is aangelegd. Deze zijn dus ongeveer 
uit hetzelfde tijdvak. Zoo zal dan de kerk te Wolfhezen in het eerste vierendeel der 1 7e eeuw in 
vlammen zijn opgegaan en tot een puinhoop geworden zijn 42 . 

Commentaar: 

De meeste Wolfheze-auteurs zijn het oneens met Groneman en nemen aan dat de verwoesting 
in 1585 - in het voorjaar - door Spaanse troepen is gepleegd. Nu hebben de Spanjaarden 
in 1584 en 1585 flink huis gehouden op de Veluwe - in onze contreien wordt o.a. de kapel 
van O.L. Vrouwe van Renkum verwoest, kasteel Grunsfoort bezet - maar tot nog toe is niet 
bewezen dat Wolfheze daaronder toen ook te lijden heeft gehad. 

Oltmans: Door aanrukkende bewegingen trachtten wij den vijand uit zijne verschansing te 
lokken en op het vlakke veld slaags te raken. De vijand voelde zich echter in zijne veste te 
sterk om zich aan een twijfelachtigen strijd op het vlakke veld te wagen. Immers alle huizen 
te Wolfhezen waren in zijn bezit. Het kasteel was een voorname sterkte; om de kerk en het 
wildforsterhuis waren wagenburchten gemaakt. Wolfheze was een sterke veste. 
Als de dorpelingen terugkeren na aftocht van de Spaanse troepen treffen zij slechts mines aan: 
de kerk is verbrand, van de trotse burcht rest nog slechts de ru'ine van een hoektoren en hun 
Haardsteden zijn verwoest. 

Demoed valt hem bij : Wat zich precies in Wolfheze afgespeeld heeft, is nooit bekend geworden. 
Maar dit is zeker, dat na het aftrekken der vijand, de Wolfhezenaren een volkomen verwoest 
dorp vonden.... Ook Hegener is deze mening toegedaan en Roorda van Eysinga meent dat 
de vijand zich in Wolfheze heeft verschanst en na een zware strijd ... verdreven, waarbij het 
gehele dorp verwoest werd; kasteel, kerk en wildforstergoed incluis. 

Opvallend is dat de schrijvers wel menen te weten wat er met de gebouwen van het dorp 
is gebeurd maar weinig woorden wijden aan het lot van de bewoners. Demoed en Oltmans 
suggereren dat ze zijn weggetrokken. 

De Spanjaarden zouden dus het dorp - inclusief kerk, kasteel en wildforsterij - bezet houden. 
Maar gelet op de verspreide ligging van de verschillende gebouwen - de afstand van de burcht 
tot de kerk en van de kerk tot de wildforsterij is resp. ca. 600 en 750 meter hemelsbreed - en 
de gesteldheid van het terrein is het vrijwel uitgesloten dat zij een sterke veste tot stand hebben 
kunnen brengen. 

Oltmans creeert een onderscheid tussen het dorp en het vlakke veld en doet het voorkomen 
alsof het dorp een aantal bij elkaar staande huizen en andere gebouwen omvat. Niets is minder 
waar: er zijn slechts enkele verspreid in het veld liggende hoeven en huizen. Volgens de 
Proceskaart zijn er twee clusters van huizen plus het huis bij de kerk. De afstanden zijn: van 
cluster zuidoost tot cluster zuidwest 1000 m, van cluster zuidoost tot kerkhuis ruim 600 m en 
van kerkhuis tot cluster zuidwest 700 m. 

Het kasteel kan geen voorname sterkte zijn geweest want er is geen kasteel geweest. De 
veldschans die er wel is - het huidige Stratius Rondeel - is zo klein dat die slechts een kleine 
sterkte kan zijn geweest, niet (lang) bestand tegen zelfs een kleine vijandelijke eenheid. 

Het is moeilijk voorstelbaar dat de Staatsen de vijand actief, doelbewust, in de kerk hebben 
ingesloten. Daarmee zouden ze hem een uitstekende vesting hebben verschaft van waaruit hij 
de omgeving militair zou kunnen domineren. 



52 



Als desondanks wordt aangenomen dat de Spanjaarden de kerk hebben bezet dan leidt dat tot 
de volgende observaties: 

• De plek is geschikt voor een defensieve stelling. Vanaf de terp en vanuit de kerk kan men 
de omgeving - inclusief de heerwech die op ca. 15m afstand langs de zuidkant van de kerk 
loopt - domineren. 

• De aanwezigheid van de droge greppel en de ligging ervan worden theoretisch 
verklaarbaar. 

De greppel ligt ten noorden en oosten van de kerk en geeft rugdekking daar waar de kerk 
zonder de greppel relatief gemakkelijk bereikbaar zou zijn. Aan de zuid- en de westkant van 
de kerk bevindt zich de terphelling 43 , maar, belangrijker nog, de steile helling naar het beekdal 
iets verder zuidelijk. Een definitieve datering van deze greppel kan wellicht door boor- en 
graafwerk worden verkregen, maar kan zo'n onderzoek - als het geen vondsten zou opleveren 
- discrimineren tussen 1585, 1624 en b.v. 1672? 

• De greppel is ca. 100 m lang en 7 m breed, maar is waarschijnlijk dieper geweest dan 
de meter die Groneman in 1893 constateert. De aanleg moet vrij lang - ettelijke honderden 
manuren - hebben geduurd en het lijkt er dus niet op dat de onsen erg bedreigend zijn geweest 
voor de vijandelijke gravers. 

• Geschut lijkt het meest geschikte wapen om de Spanjaarden uit de kerk te verdrijven, maar 
er zijn tot nu toe geen stenen of ijzeren kogels ter plekke aangetroffen. Evenmin zijn er tot nu 
toe bij de kerk sporen van strijd gevonden, wapentuig of uitrustingsstukken. 

• Groneman vindt een deel van een menselijke ruggewervel in een waarvan een stukglas, dat 
door het been gedeeltelijk blijkt omgroeid te zijn; mogelijk door de uitbarsting van Grieksch 
vuur of van een bom er in gedreven? 44 . Maar de persoon in kwestie kan natuurlijk ook gewoon 
een ongeluk hebben gehad. Hij/zij heeft dat geruime tijd overleefd, maar een tijdstip van 
overlijden kan er niet aan worden ontleend. 

• De vondst van een Spaans pijpje in de kerk kan geen bewijs leveren voor de aanwezigheid 
van Spaanse of andere troepen in de kerk in 1624 of 1629, hooguit voor de aanwezigheid van 
een pijproker te eniger tijd. Groneman neemt aan dat de pijp van Spaanse origine is, omdat er 
eerder een dergelijk model, erkend als zijnde van Spaanse oorsprong, is aangetroffen tijdens 
veldwerk aan de Zutphense wal, waarbij Groneman was betrokken. Tabaksgebruik raakt in het 
tijdvak 1580-1620 ingeburgerd in de Nederlanden, vooral en eerst bij pionier-consumenten, 
van wie er weinigen op de Veluwezoom zullen zijn geweest. Het lijkt er dus wel op dat de pijp 
van een Spanjaard afkomstig is. 

Het is echter niet uitgesloten dat juist de Staatsen de kerk hebben verwoest; de tactiek der 
verschroeide aarde schuwen zij niet. Zo zijn het de Staatsen geweest die in 1586 met het doel 
de Spanjaarden onderdak te ontzeggen, de kerk in Geesteren hebben verwoest. 

Alleen Michiels meent dat niet bekend is of kerk en nederzetting schade hebben 

ondervonden. 

Dat is de juiste conclusie, want geen van de andere hier geciteerde auteurs geeft enige 

onderbouwing aan de stelling dat Wolfheze in 1585 door Spaanse bezettingstroepen en/of 

door oorlogshandelingen zou zijn verwoest. 

Enkelen van deze auteurs verwijzen naar Van Slichtenhorst. Deze zegt: Omtrent desen tijd 
(voorjaar 1585) had de Raed van Staeten onsen Raed (i.e. die van Harderwijk) indagtigh 



53 



gemaekt om goede aenteykeningh te maeken van 't koorn in de stad nog overigh sijnde, noch 
yet daerafte laeten weghvoeren, ten ware dat er dadelycken weder sooveel wierd in de plaats 
geleverd. Des vyands gantse heyr lagh rechtevoort tot Wolfhesen bij den Doorenweerd, alwaer 

de onsen, stout op haer eygen grond synde, hem het hoofd booden zulx dat zij 

wel ses irijren d'een tegens d'ander in slagh geleeder hadden gestaen; overmits de vijand 
zijn waghen-wegh niet woude verlaeten, of hij wel van den onsen om ut de muijte op de 
vlackte te koomen etlijke maelen was getergd; en want de Raden van 't Hof vermoeden of 
geloof hadden den vijand hoe longer hoe meer te loeren op Harderwijk, deden zij op den 12en 
van soemermaend onsen Raed vermaenen om op haere vesten en te gelijck op de heijmelijke 
verstandhouders wel acht te neemen. 

Van Slichtenhorst (1616-1657) is jurist, historicus en bijna-tijdgenoot. Van hem mag een 
preciezere beschrijving van het incident worden verwacht dan van de andere, latere Wolfheze- 
historiografen. Uit zijn tekst zijn enkele notities te extraheren: 

• De vrees dat de vijand het op Harderwijk heeft gemunt is niet ongegrond. De stad is vrij 
gemakkelijk en relatief snel bereikbaar vanaf de zuidelijke Veluwe, zie de Gelre-kaart. 

• Des vyands gantse heyr 

Gelet op het gegeven dat Spaanse troepen in de soemermaand (juni) van 1585 ook elders in 
de Lage Landen aktief zijn moet deze omschrijving van de Spaanse troepenmacht te Wolfheze 
niet letterlijk worden genomen. Maar er zal een grote Spaanse legereenheid betrokken zijn 
geweest bij het incident. Dan lijkt het niet goed mogelijk die in te sluiten binnen de wallen op 
de heerwech tussen de kerk en de landweer, omdat die vrij dicht bij elkaar liggen. Wellicht kan 
een grote troepenmacht wel het gebied tussen kerk en wildforsterhoeve bezet houden, maar 
het lijkt om de al genoemde redenen niet goed mogelijk dat de Spanjaarden een sterke veste 
hebben gehad. 

• Positie Spaanse troepen 

Van Slichtenhorst zegt niet dat de Spanjaarden kerk en huizen bezet houden, maar dat zij 
rechtevoort tot Wolfheze liggen en wel in hun waghen-wegh. Zij lijken in een rechte richting 
onderweg naar Wolfheze en zijn tijdens de mars ingesloten. Het is niet mogelijk een militair 
logische plek voor zo'n omsingeling aan te wijzen. Aannemelijk is echter dat die op de 
heerwech heeft plaats gehad. Niet alleen omdat van Slichtenhorst over waghen wegh spreekt - 
wat een doorgaande weg veronderstelt - maar ook omdat zowel uit Renkum als uit Velp (Biljoen) 
verwoestingen door Spaanse troepen worden gemeld tijdens deze Spaanse opmars. 
Hoe dan ook, de omsingeling betekent dat de Staatsen het initiatief hebben gehad. 

Oltmans meent dat de vijand niet alleen het dorp heeft bezet maar ook wagenburchten heeft 
ingericht bij de kerk en het wildforstergoed. Erkens 45 zegt (pag. 1 1 6) dat de vijand bij Wolfheze 
versterkingen heeft aangelegd en dat bij de wildforsterhoeve nu nog een z.g. Spaanse wal is te 
zien, waarop de Duizendjarige Den staat (stond; f 27 mei 2006). 

Tegen deze visie zijn bezwaren aan te voeren: 

> volgens Van Slichtenhorst is de vijand ingesloten op de waghen-wegh en het is vrijwel 
uitgesloten dat er bij de Duizendjarige Den zo'n weg zou zijn geweest. 

> de confrontatie heeft circa zes uren geduurd en lijkt nogal "acuut" te zijn ontstaan. Weinig 
tijd dus om een wal op te werpen. 

> de Duizendjarige Den staat op het zuideinde van een wal die vrij iel is en die vanaf de Zwarte 
Kolkbeek in een rechte lijn noordwaarts loopt tot hij na bijna 250 m op de heerwech stuit. 
De wal is welhaast zeker geen militaire verdedigingswal geweest, maar heeft waarschijnlijk 
gediend als begrenzing van een akker. 



54 



> voor de benaming Spaanse wal is in dit onderzoek geen bevestiging gevonden. 

> hoe zeker is het dat de Duizendjarige Den uit (ongeveer) 1585 dateert? 

> Erkens zegt zelf (pag. 1 13) dat de den uit 1650 stamt. 

> Oltmans meent dat de Spanjaarden om het wildforsterhius een wagenburcht hebben 
gemaakt (onderstreping door de auteur) 

• Confrontatie 

Van Slichtenhorst meldt dat de onsen ....hen het hoofd booden en dat zij wel ses uijren d'een 
tegens d'ander in slagh geleeder hadden gestaen. 

Weliswaar wordt thans onder "het hoofd bieden" hetzelfde verstaan als toen, het zou onjuist 
zijn te concluderen dat er werkelijk een veldslag is geweest: verzet kan actief en passief worden 
geboden. Kortom de partijen kunnen wel in slagorde tegenover elkaar hebben gestaan, maar er 
kan een patstelling zijn geweest. Hoe de confrontatie is afgelopen is onbekend. 

• Ut de muyte op de vlackte 

Geheel duidelijk is de situatie niet. Enerzijds spreekt Van Slichtenhorst over slagh geleeder 
anderzijds suggereeert hij dat de vijand was ingesloten op de waghen-wegh en zich in een 
muyte bevond. 

Muite is een oud woord voor kooi, gevangenis, maar ook voor twist. De vijand laat zich niet 
verleiden uit zijn stelling op de vlackte te komen. Dat betekent dat de onsen de vijand niet met 
geschut hebben bestookt, want dan zou hij zijn verschansing wel hebben verlaten, vechtend 
of anderszins. Tot op heden zijn geen vondsten gemeld van stenen of ijzeren kogels in de 
omgeving van de nederzetting. Waarom de vijand weigert uit de verschansing te komen is 
onbekend. 

Wellicht hebben de Staatsen toch iets fout gedaan, want de vijand voelt zich er veilig. Zo'n 
situatie kan zich - voor een niet al te grote troepenmacht - voordoen tussen de wallen op de 
heerwech bij het Rondeel en iets oostelijk daarvan: de wallen die de vijand insluiten kunnen 
door hem als verdedigingswerken worden gebruikt. Maar het is ook mogelijk dat de onzen 
numeriek in de meerderheid zijn en/of beter bewapend voor gevechten van man tegen man 
op de vlakte. 

Kortom: Van Slichtenhorst meent met enkele andere auteurs dat er in 1585 in of bij Wolfheze 
een incident is geweest, maar zijn mening over de aard van dat incident wijkt af van die van 
Oltmans en de overige Wolfheze auteurs. 
In samenvatting: 



AUTEUR 


POSITIE VIJAND 


LOT DORP 


Van Slichtenhorst 

Medio 17 e eeuw 


Ingesloten in 
waghenwegh 


- 


Oltmans 

1920-er jaren 


Bezetting dorp + kerk 
+ kasteel + wildforsterij 


Dorp geheel verwoest; 
kerk, kasteel een ru'ine 


Roorda van Eysinga 

ca. 1949 


Bezetting dorp 


Als Oltmans 


Demoed 

ca. 1953 


Ingesloten in 
waghenwegh 


Als Oltmans 



Demoed's reconstructie is ietwat merkwaardig. 

Om het dorp te kunnen verwoesten moet de vijand zich eerst uit de waghenwegh hebben 
bevrijd, maar dat is op grond van Van Slichtenhorst, naar wie Demoed zelf verwijst, nu juist 
de vraag. 

55 



Is er geen bewijs dat de kerk in 1585 is verwoest, evenmin kan worden aangetoond dat de kerk 
later, b.v. in het eerste kwart van de 17 e eeuw, nog intact is. In 1618 probeert Ds. Heshusius 
zijn vervallen kerk in Heelsum te restaureren en hij verzoekt het Hof van Gelderland om de 
heer van Doorwerth te bewegen geld te voteren uit die thiend van Wolffhesen. Hij vraagt niet 
om bouwmateriaal van de Wolfhezer kerk - dat gebeurt pas in 1628 - dus de kerk is dan nog 
niet rijp voor de sloop of er is nog geen beslissing genomen over het lot van de vervallen kerk. 
Voorts is er een aantal kaarten uit dit tijdvak waarop de kerk, ogenschijnlijk intact, voorkomt, 
maar dat hoeft niet te betekenen dat de kerk ook echt ongeschonden is 46 . 

Dan nu Groneman's opvatting dat de kerk in 1624 of 1629 door Spaanse troepen is verwoest. 
Allereerst de rooftocht van februari 1624, Vdstenavondtocht of Vastelavonttocht genoemd 47 . 
Vastenavond valt dit jaar op 20 februari. 




ARTIST'S IMPRESSION VAN DE VASTELAVONTTOCHT VAN 1624. 
Bron: De geschiedenis van Gelderland 1492-1795, dl. 2. 

Op zeker moment liggen de Spaanse troepen voor Arnhem 48 . 

De weinige weerstand die de stad biedt is hun al genoeg om weg te trekken, in de woorden 
van Nijhoff regt door de heide naar Eede, het naaste dorp, waar, wegens talrijke bevolking en 
welgesteldheid der inwoners, op een goeden buit gerekend scheen te kunnen worden. 

Dit leidt tot de volgende opmerkingen: 

• Wolfheze ligt op de marsroute. Ter hoogte van de kerk kruist de heerwech met de 
noordzuidweg, welke voert dicht langs de buurtschap Veldhuizen en het kasteel Kernheim bij 
Ede, waar op deze Vastenavondtocht verwoestingen zijn aangericht. 

• Het is bitter koud, de troepen zijn al geruime tijd in het veld, zijn gedemoraliseerd omdat 
ze Arnhem niet hebben ingenomen en zijn op mars naar Ede. Ze kunnen zich in en random 
de kerk hebben verschanst en er grote vuren hebben aangelegd. De hopen as en houtskool 
die Groneman aantreft in poortgebouw en kerk en op het terrein kunnen hierop wijzen. Het 
is onwaarschijnlijk dat toen de half ovale greppel bij de kerk is aangelegd: de troepen hebben 
haast, want het rijke Ede lokt en de grond is hard bevroren. Bovendien is er geen noodzaak 
voor de aanleg van een greppel: hun vijand is in geen velden of wegen te bekennen. 



56 



• Op 9 oktober 1 624 besluiten de Gedeputeerden van het Kwartier Veluwe dat het tufsteengruis 
van de kerk kan worden verkocht. Op grond hiervan lijkt de gedachte dat de kerk kort daarvoor 
en niet in 1585 is verwoest niet bij voorbaat onterecht: Hoe aannemelijk is het dat men zich in 
oktober 1624 plotseling het gruis zou herinneren van een in 1585 - in een vorige generatie - 
verwoeste kerk in een nagenoeg verlaten gebied op tien kilometer afstand? Hoe aannemelijk 
is het dat er in 1628 nog zoveel hout van goede kwaliteit voor de restauratie van de Heelsumse 
kerk zou resteren van een kerk die in 1585 zou zijn verwoest? 

Echter, geen van de redeneringen rond de vraag of de verwoesting door brand en door 
Spanjaarden in 1585 of 1624 heeft plaatsgevonden is sluitend, al ligt het jaar 1624 meer in 
de rede dan 1585. 

Dan de tweede tocht van Van den Bergh over de Veluwe in augustus 1629 49 . Kan de 
kerk toen zijn verwoest? 
Het antwoord is neen: 

• Op 2 juni 1627 besluiten de Gedeputeerden tot verkoop van het nog overgebleven 
tufsteenpuin van de Wolfhezer kerk aan de stadsmetselaar van Arnhem. 

• De klassikale vergadering van Overveluwe vraagt, op verzoek van de Heelsumse kerk, 
in 1628 om de opbrengst te krijgen van de vercochte kercke van Wulfheese alsmede het nog 
resterende hout ervan 50 . 

De slotsom van dit alles moet zijn dat de meningen van de meeste historiografen ten aanzien 
van de aard en het tijdstip van de verwoesting van kerk en dorp vaag en intern confiicterend 
zijn. Op soms belangrijke onderdelen kan hun visie eenvoudig niet juist zijn. De mening van 
Michiels, hiervoor al vermeld, is de meest realistische, gegeven het gebrek aan feiten. 

Hegener gaat er ook van uit dat Wolfheze in 1584 is verwoest. Maar, zegthij, er moet meer zijn 
geweest, want waarom zijn de bewoners naderhand niet naar hun bezittingen teruggekeerd? 
Was er, zo vraagt hij zich af, een daling van het grondwater ingetreden? 

Omstreeks 1585 zijn de beken in het gebied sprengbeken. Door het graven van de sprengen 
maken de bewoners zich minder afhankelijk van regen water maar het leidt er ook toe dat op 
de hoger gelegen delen het grondwater wordt bereikt, dat nu gemakkelijk via de gegraven 
beddingen kan afvloeien en tot een daling van het grondwaterpeil leiden. Maar: gedurende het 
grootste deel van de levensduur van de kerk is er maar een beek geweest (Zwarte Kolkbeek). 
Vanaf een onbekend tijdstip voor 1553 - waarschijnlijk in de 2 e helft van de 15 e eeuw - is daar 
de Wolfhezebeek bij gekomen. 

Zeker is dat deze beken tot in de 1950-er jaren water hebben gevoerd. De Heelsumse beek is 
omstreeks 2006 schoongemaakt en is sedert 2006/7 weer watervoerend. 

Dan is er nog de mogelijkheid, dat er grondwaterdaling is ontstaan als gevolg van een langdurige 
periode van extreem droog weer. Uit de gegevens die Buisman 51 verstrekt blijkt zo'n weertype 
rond 1584, 1624 en 1629 niet langdurig te zijn voorgekomen. Maar - nog los van het gegeven 
dat er grote verschillen zijn in de Veluwse grondwaterstanden - het kan vele tientallen jaren tot 
eeuwen duren voordat het eens gevallen en geabsorbeerde regenwater weer aan de oppervlakte 
komt op de hellingen van de stuwwallen en aan de randen van het Veluwemassief. 
Het is dus anno 2008 moeilijk aan te tonen dat een eventuele daling van het grondwaterniveau 
rond 1600 zou zijn toe te schrijven aan extreem droog weer zo veel vroeger in de tijd. 



57 



Een andere mogelijkheid kan nog zijn dat ook Wolfheze te lijden heeft gehad van de 
zandverstuivingen aan het einde van de 16 e eeuw en dat dat mede een oorzaak is geweest voor 
de ontvolking van het gebied. 

NOTEN HOOFDSTUK 2 

1. Kaart van het Bisdom Utrecht in 1560 door S. Muller Hzn, 1919. 

2. Maar het omgekeerde gebeurt ook, vaak op verzoek van het wereldlijk bestuur. 

3. J. Buis, Historia Forestis, dl 1, 1 985, pag. 37. Nieuwe Bijdragen voor vaderlandsche geschiedenis 
en oudheidkunde. Marken op de Veluwe. L.A.J.W. Sloet, 1859. 

4. DeNavorscher 1887, pag. 14enRegistersophetArchiefvanhetvoormalighofdesVorstendoms 
Gelre, P. Nijhoff 1856. 

5. Ook Molenbeek of Renkumse beek genoemd. 

6. Veluwse Geslachten, 1996, nr. 4, pag. 253. 

7. Waar de term vandaan komt is onbekend. Is hij afkomstig van schrijvers die menen dat zich ter 
plekke een zelfstandig adellijk goed bevond of is de term een aanduiding voor een hof'm de zin 
van een hoeve, al of niet als onderdeel van een hofstelsel? Het onderzoek naar de herkomst van 
de term loopt nog. 

8. J.L. de Boer, In 't Geldersche Rijnland. 

9. Een oorkonde van 15 april 1496 waarbij hertog Karel een hoeve te Seelbeek geeft aan Cornells 
Kaick, placeert de hof in het kerspel van Oosterbeek. Nabij Brummen heeft zich rond 1215 
eveneens een goed Seelbeek (diverse schrijfwijzen) bevonden. Het Seelbeekdal te Oosterbeek 
is ook wel gat terAa of gat van derAa genoemd. Deze benaming dateert van voor 1402 en de 
oorsprong is wellicht terug te voeren op het middeleeuwse Brabantse geslacht van der Aa, dat 
leenheer was van de hertog van Brabant en (zaken)relaties onderhield met de graaf van Megen 
en het geslacht van Mierlo. Aa-namen (van der Aa, ter Aa) komen ook buiten Brabant en de 
Veluwe voor. 

10. Veel in deze paragraaf is afgeleid van B.H. Slicher van Barth: Studien betreffende de agrarische 
geschiedenis van de Veluwe in de Middeleeuwen, A.A.G. Bijdragen 11. Oosting: Gelderse 
Volksalmanak, 1942. 

1 1. De huidige Oude Kloosterweg, in de zuid/west hoek van de kruising Wolfhezerweg/A50 is een 
deel van de heerwech. De naam dateert uit de tijd toen algemeen werd aangenomen dat zich ter 
plekke van de rui'ne een klooster zou hebben bevonden. Het zandpad dat voor de aanleg van de 
A50 van de Heelsumseweg naar het Kousenhuisje voerde werd Kloosterpad genoemd. 

12. Leyden gebruikt de term heelweg als synoniem voor hessenweg. Bijdragen en Mededelingen 
1940 II, De Hanzewegen. 

13. Lokatie ongeveer van het huidige Willemsplein. Arnhem ontwikkelt zich aan en bij de 
Jansbeek, iets ten oosten van de St. Jan's poort. De poort dateert van voor 1355. Eigendom 
van de hospitaalridders van St. Jan, de Johannieters die in Arnhem een commanderij vestigen 
na 1190. Vele en aanzienlijke bezittingen en eigendommen in Arnhem, de Veluwe(zoom) en 
de Betuwe. In 1240 heeft graaf Otto de tol van de Sint Jans kevk afgekocht, die sij trok van 
alle de goederen, die uyt de Veluw op marktdagen binnen Arnhem werden gevoert., J. J.S. Sloet, 
Beschrijving van Arnhem; Bijdragen en Mededelingen, dl 14, 1911. 

14. De Amsterdamse Weg heet aanvankelijk Weg naar de Bavoortse Brug, naar een oud centrum 
zuidelijk van Amersfoort, huidige lokatie Leusden. 

15. Van Heerlijkheid tot Landsheerlijkheid. Gewijzigde herdruk, pag. 19; ISBN 90 232 1579 6. 

16. In de 12° en 13° eeuw zou er een herleving zijn geweest van de prehistorische labyrinthen. 

17. Nederland in de prehistorie. Uitg. Bert Bakker, 2005. ISBN 90 351 2484 7. 

18. Zie ook kaart Roorda van Eysinga. 

19. De belangrijkste beken in het Wolfhezer beekdal zijn: a/ De Zwarte Kolkbeek . Ontspringt 
ten oosten van de wildforsterij in een moerassig gebied genaamd Zwarte Kolk. Doorsnijdt 
vrijwel de gehele gemeente Renkum van noordoost naar zuidwest. Wordt in de Nieuwe Tijd 
samengevoegd met Wolfhezebeek ter hoogte van het Kousenhuisje. Datering: Prehistorie 



58 



en/of Voile Middeleeuwen. b/ De Wolfhezebeek . Sprengkoppen (2x) nabij de Wodanseiken, 
halverwege de afstand tussen het wildforstergoed en het Kousenhuisje. Beredeneerde datering: 
medio 1 5 e eeuw of eerder. c/ De Heelsumse beek . Sprengkop enkele honderden meters ten westen 
van het Kousenhuisje. Beredeneerde datering: 1600 of later, d/ De Rondeelbeek . Sprengkoppen 
nabij en ten noordoosten van het Stratius Rondeel. Beredeneerde datering: medio 15° eeuw of 
eerder. De beken a/ en b/ zijn ter hoogte van het Kousenhuisje samengevoegd. De beken b/ 
en c/ komen samen in de zuidwest hoek van het Stratius Rondeel. Mogelijk zijn er nog meer 
verbindingen geweest tussen de genoemde beken, maar daarvan zijn in het veld geen duidelijke 
sporen te traceren. 

20. De eerste watermolen op de Veluwe is in de lie eeuw in de buurt van Velp gebouwd. Download 
06-01-2005, Eeuwenoud watererfgoed. 

21. In 1568 wordt 12 morgen heideland onder Wolfheze in erfpacht gegeven, vermoedelijk voor 
het oprichten van een papiermolen. 

22. Maar door recente veranderingen in de beekloop is nu nog maar een zo'n cirkelvormige 
verbreding zichtbaar. 

23. De tekening van Oltmans is onnauwkeurig en sluit niet precies aan bij de tekst. Hij tekent 
15 "opstallen": kerk, burcht, molen en 12 andere bouwsels, waarvan niet duidelijk is of het 
om huizen gaat of om andersoortige opstallen. (De Sonnenberg, Gerrit V Enck en Oorsprong 
worden hier niet meegerekend). Hij gebruikt verschillende symbolen voor de bouwsels, n.l. 
zeshoekjes (6 stuks, grote en kleine) en rechthoekjes (6 stuks, grote en kleine). Zeskantjes 
worden gebruikt voor het wildforsterhuis en de pastorie, terwijl voor het huis van Hendrick 
Jacobss tegenover de kerk een rechthoekje wordt gebruikt. Op grond daarvan wordt aangenomen 
dat de met zeshoekjes gemarkeerde bouwsels voornamer zijn dan de anderen. De vraag is wat 
Oltmans heeft willen vastleggen: omvang en ligging van hof en wildforstergoed of het dorp, 
met daarin wellicht nog bezittingen van andere heren? Klopt de kaart of moeten we op de tekst 
afgaan? 

24. Randvoorwaarden: a) Alle zeshoekjes en rechthoekjes zijn huizen. Dit is aannemelijk omdat 
Oltmans zegt dat de Galioten de huizen van Arndt Enck vernield hebben (2 rechthoekjes, 1 
zeshoek) plus de boerderij tegenover de kerk (1 rechthoekje). b) De 2 opstallen (zeshoekje, 
rechthoekje) ten noordoosten van de kerk behoren tot de wildforsterij omdat zij liggen op het 
Lawijckerveld en Oltmans' tekst niet overtuigt, maar arbitrair is deze indeling wel. Hij zegt 
Noordelijk en westelijk van de kerk strekken zich de aaneensluitende bouw- en weilanden uit, 
met hier en daar verspreid liggende bouwhoeven. Echter ten noorden en westen van de kerk 
tekent hij niets in op de kaart, wel de 2 opstallen ten noordoosten van de kerk. c) Oltmans gaat 
er van uit dat er op de hof een burcht was. Maar tot nu toe is daarvoor geen bewijs gevonden, 
zie Schoutambt & Heerlijkheid 4/2003. 

25. Troepen, huurlingen waarschijnlijk, van de Bourgondiers, genoemd naar boten - galioten - 
waarmee zij over de Rijn zouden zijn aangevoerd. De Galioten die Wolfheze aanvallen waren 
in Mariendaal gelegerd. 

26. Maar: "aantal huizen" is gerelateerd aan "oppervlak". 

27. Aleid W. van de Bunt: Dorenweerd van heerlijkheid tot dorp. Uitgave Stichting Heemkundig 
Museum, gemeente Renkum. 

28. Huis Doorwerth: parochiaan; Huis Van Montfoort: leenheer kerk; De huizen Van Wijhe en Van 
Wilp: leenmannen kerk; De RDO en diens landcommandeurs als leenmannen van de kerk; De 
Van Lawijcks als wildforsters tot 1540; De hertog van Gelre: leenheer wildforstergoed en jager 
in het gebied. 

29. Inventaris van het oud archief der gemeente Arnhem. R Nijhoff, 1 864. 

30. Beschrijving van Arnhem in Bijdragen en Mededelingen, dl 14, 1911. In Het Sint Catharinae 
Gasthuis 1246-1636 maakt G.B. Leppink melding van een beeldenstorm in 1579 in de Grote 
Kerk en de St. Walburgskerk; in de Gasthuiskerk worden crucifixen en beelden vernield. 

31. H. Knippenberg: De religieuze kaart van Nederland, ISBN 90-232-2675-5. 

32. Echo's van zes dorpen. Het Genealogisch & Historisch Genootschap Redichem, nr. 1, 1999; 



54 



Demoed pag 242. In Bijdragen en Mededelingen deel 40, 1937, pag. 69. noemt Driessen deze 
pastoor Henricus de Bruyn en zegt dat hij voorheen kapelaan was te Oldenzaal. 

33. J.F. Niermeyer. Honderd noord-nederlandsche oorkonden en akten uit de jaren 1254-1501, 2" 
druk. 

34. Bronnen: Het Hof van Gelre, G.J.M. Nijsten, Uitg. Kok Agora, Kampen, 1992. Kronijk 
Historisch Genootschap Utrecht, 1 846. 

35. Ministerialiteit en Ridderschap in Gelre en Zutphen, Tabellen 1996, Gelderland Bibliotheek, 
Arnhem. 

36. I.A. Nijhoff, Gedenkwaardigheden uit de Geschiedenis van Gelderland, deel 5, pag. 59. 

37. Michiels zegt, pag. 3 1 , dat het huis van Stratius ten westen van Arndt Enk zou staan, maar dat 
is een vergissing, zie op de Proceskaart hoe de omstreden weg loopt. 

38. Het andere pad dat vanuit het zuidwesten op de heerwech uitkomt bestaat nu nog als wandelpad. 
De rechte, noordwaarts lopende weg is nu nog vaag te herkennen vanaf de heerwech tot aan de 
A50 en bestaat zelfs nog als wandelpad vanaf de A50 tot hij met de Balijeweg een T-splitsing 
vormt, ca. 30 meter ten westen van de Johan Stratiuslaan. 

39. Zijn ouders zijn mogelijk Henrick van der Straten, overleden 1521 en Gertrud Wychers, 
overleden na 1521. Henrick van der Straten wordt in 1509 beleend met Het Hekersche Slagh 
te Angerlo in het Graafschap Zutphen. De hypothetische gezinssamenstelling van het gezin 
waarin Johan opgroeit is als volgt: Antonia Straetman, Hendrick op der Straten, Hermen van 
der Straten, Johan Stratius en Peter van der Straten. Johan trouwt met Geertruyt NN en heeft 
mogelijk tot zoon Anthonis van der Straten. 

Johan 's levensdata zijn onbekend.Volgens Het archief van het hof van Gelre en Zutphen 
(1543-1795), het hof vanjustitie (1795-1802) en het departementaal gerechtshof (1802- 
1811), deel I, Arnhem 1978, pag. 281 is hij overleden op 19 april 1561. In Het Archief van 
het huis Bergh Supplement 1932-1957 van A.P. van Schilfgaarde (pag. 48) staat: (15)61 
April 21. Wilhelm, graaf totten Bergh etc. machtigt zijn dienaar N.N. om het goed de Gulden 
Spicker, gelegen voor Arnhem, en dat in gebruik is bij dr. Stratius, over te dragen aan Joist 
van Cranenfelt. (De Gulden Spicker is het latere landgoed de Zijp). Tenslotte blijkt uit het 
Schepenregister Antwerpen 1587, nr. 389, p. 394-397 dat hij op 12 januari 1587 nog in leven 
zou zijn. Op die dag is Mr. JANNE STRATIUS, Raedt van zijne Majesteit in Gelderlandt, 
gehuwd met Maria Ortiz, weduwe van Francisco Pimenes. Johan Stratius was Raadsheer van 
het Hof van Gelre en Zutphen en "militair auditeur". Tevens Ambassadeur van de Keizer in 
Polen en Denemarken en in 1553 ook burgemeester van Arnhem. Studeerde waarschijnlijk 
in de "twintiger jaren" in Leuven. Was beroepsjurist en universitair opgeleid. Stratius werd 
30 januari 1544 beedigd als Raad van Het Hof van Gelre en Zutphen bij de oprichting ervan, 
nadat Karel V het hertogdom en graafschap had ingelijfd. De Raad kende 2 "uitheemse" 
raden en 4 "inheemse". De uitheemse raden waren gekwalificeerde juristen met kennis van 
(uitheems) Romeins recht. Dit waren Adrien Nicola'i (op gezag van Karel V) en Stratius 
(op gezag van de Landvoogdes te Brussel). De inheemse raden waren Gelderse edelen met 
kennis van het (inheemse) gewoonterecht, dijkrecht, landrecht etc.: Christoffel, graaf tot 
Meurs , als vertegenwooordiger van het Kwartier van Veluwe, Johan van Wytenhof namens 
het Overkwartier, Jacob Pieck tot Yzendoorn namens Kwartier van Nijmegen en Jan van 
Keppel namens Kwartier van Zutphen. Stratius was na de dood van Joost Sasbout in 1547 
ook tijdelijk plaatsvervangend Stadhouder der Lenen totdat Sasbout definitief werd opgevolgd 
door Nicola'i. Op 21 oktober 1529 oorkonden Wynant van Doernynck en Johan van Mekeren, 
schepenen te Arnhem, dat Johan Verstraten en diens vrouw Geertruyt overgedragen hebben 
aan Oliphier Hackffort en Johan Engellen ten behoeve van het hospitaal van St. Anthonis 
buiten Arnhem een losrente van 3 goudgulden 's jaars, gaande uit hun huis en hofstede 
in de Ketelstraet, grenzende aan het St. Claes' gasthuis. Gegeven in den jaer ons Heren 
vijfftienhondert negen ende twyntich op die Thienduysent martelers dach. Waarschijnlijk 
betreft het hier Johan Stratius, niet in de laatste plaats vanwege de voor naam van zijn 
vrouw en het feit dat hij later zijn zoon de naam Anthonis geeft. Op 25 januari 1 544 wordt 



60 



hij door de landvoogdes gecommitteerd tot "gewone raad" van Gelre en Zutphen en op 30 
januari 1544 als zodanig beedigd. Tevens is hij auditeur militair. Rond 1547 is hij enige tijd 
stadhouder van de lenen. In maart 1548 wordt hij genoemd doctor en raad, meester en in 
november 1548: doctor in de rechten en raad van de keizer in Gelderland. In 1549 schrijft 
Johan Stratius, raad in het Hof, een rapport als keizerlijk afgezant, van zijn onderhandelingen 
met de kroon van Denemarken inzake de Sonttol. 

Op 8 januari 1553 wordt Johan van der Straeten genoemd als schepen te Lymborch. 
Waarschijnlijk is dit Stratius. Op 23 maart 1553 (op donresdach post Judica) schrijft de stad 
Nijmegen aan Marie, koningin-weduwe van Hongrien enz., regentes der Erfhederlanden 
(van 1531-1555). Verzoek, Johan Stratius, raad van de keizer in Gelre en burgemeester der 
stad Arnhem, als gedeputeerde namens de vier hoofdsteden te willen ontvangen betreffende 
zaken van de Duitse Hanze en hem, in verband met de eerdaags te houden Hanzedag te 
Liibeke, weer spoedig te laten vertrekken. Aangezien Maria van Hongarije als Landvoogdes 
de Nederlanden vanuit Brussel bestuurde moet Stratius vanuit Gelre over Brussel naar Liibeck 
zijn gereisd. 

In 1554 verkopen Gerryt van Wijk en Anna van der Stege aan Dr. Johan Stratius, readt 
des kon. majesteit, de Pampell te Bennekom. (RA Veluwe). In een andere acte betreffende 
dezelfde transactie (Tuchten Veluwe) wordt Stratius echter Dr. Johan Straetman genoemd. Na 
de dood van Stratius wordt "die Pampell" verkocht door Anthonis van der Straten. Peter van 
der Straten is momber voor Anthonis. Hieruit trekken we de voorlopige conclusie dat Johan 
een zoon had die Anthonis heette, en een broer die luisterde naar de naam Peter. Met dank aan 
Ruud Straatman, Amsterdam. 

40. Gelre 's Bijdragen en Mededelingen, dl 50, 1950, pag. 16. 

41. Een poortgebouw is er niet geweest. Wei een woning, hoogstwaarschijnlijk de pastorie (de 
wehme), zie de Proceskaart. 

42. Hendrik Van den Bergh (1573-1638) is verwant aan de Oranjes, maar in Spaanse dienst. Hij 
verblijft niet vaak op kasteel 's Heerenberg en de archivaris van dit kasteel, de heer Peter 
Bresser, meldt dd. 16 maart 2004 dat dit de reden is waarom het archief weinig stukken heeft 
van en over Hendrik. Er is geenjournaal van Hendrik 's veldtochten van de jaren 1624 en 1629. 
De digitale Google kopie van de Kronijk 1858 van het Historisch Genootschap te Utrecht pag. 
15 e.v. bevat correspondentie van enkele actoren aan Staatse kant, onder wie Prins Maurits. 
De tocht van 1624 : Volgens I. A. Nijhoff in de Geldersche Volksalmanak van 1859 bestaat de 
troepenmacht uit 10 of 12 regimenten voetvolk en 40 compagnieen ruiters. Van Schilfgaarde 
spreekt in Het Huis Bergh, 1950 over 5 a 6000 man infanterie, een corps cavallerie en enig 
geschut. 

De tocht van 1629 : De troepenmacht omvat 32 compagnieen te paard, 6 stuks geschut en 
7000 man voetvolk. Van den Berg voert Spaanse troepen aan, Montecuculi leidt de keizerlijke 
troepen bestaande uit Duitsers, Croaten en Italianen met Jan van Nassau, die in 1613 katholiek 
is geworden en naar het Spaanse kamp is overgelopen. Download 10-03-2004 RE VI 001 Over 
01 en De Navorscher 1887, p. 164. Volgens Biografisch Woordenboek 12 c deel, 2 C stuk uit 1869 
bestaat Montecuculi's troepenmacht uit 14000 voetknechten en 3000 ruiters. Deze Montecuculi 
heet Ernst en niet, zoals sommigen menen, Raimond. De Montecuculi's vormen een aanzienlijk 
Italiaans geslacht in Modena. 

43. De hellingshoek is nu niet meer goed te bepalen. Door grondverplaatsingen o.a. in 1845, 1846 
en 1893 moet de terp flink zijn vervormd. Wellicht zijn de omliggende gronden als akkers 
gebruikt en opgehoogd door eeuwenlange bemesting met heideplaggen. 

44. Vloeibaar vuur. Grieks vuur voldeed aan de eisen voor een krijgsmatige inzet. Uitvinder en 
bestanddelen zijn onbekend. De basis moet petroleum zijn geweest. De destillatie van petroleum 
wordt al in 400 A.D. beschreven door de chemicus Zosinus van Panapolis uit Alexandrie. Verder 
moeten er nog toevoegingen zijn geweest als zwavel, wijnsteen, lijm, pek, gesmolten salpeter 
en gummi. De pyrotechniek was destijds staatseigendom en -geheim. In het verloop van de 
Middeleeuwen ging de kennis over de bereidingswijze van Grieks vuur verloren. Men hoorde 



61 



er eeuwenlang niets meer over. Bron: Opgediept verleden van Tino Prins; download maart 
2003. (Tekst aangepast door HJ). 

45. H.C.J. Erkens. Uit de oude doos. ISBN 90-75665-07-5. 

46. Een kaart naar B. Kempinck uit 1602, waarop de grenzen van de Heerlijkheid Doorwerth staan 
ingetekend toont de Wolfhezer kerk ogenschijnlijk intact, met toren en spits; een kaart van 
Kempinck uit 1616 toont de kerk met spitsloze toren en met een gebouw, zo op het oog een 
huis met tentdak vrij dicht tegen de zuidoost hoek van de kerk aan en iets verder dan de kerk 
oostwaarts uitstekend. Deze kaart heeft waarschijnlijk een politiek oogmerk gehad en is niet 
zonder meer te gebruiken als aanwijzing dat de kerk intact is. (Het archief der Geldersche 
Rekenkamer 1559-1795, deel I, pag. 266). Op de kaart Geldria et Transysulana in de Atlas 
van Mercator-Hondius uit de beginjaren van de 17° eeuw wordt de kerk nog geheel intact 
ingetekend; Bijleveld geeft Groneman een oude schetskaart uit de l e helft van de 17 e eeuw 
waarop de kerk voorkomt met een toren terwijl de "Cappel in het Doorwerthsche bosch aan 
den gemeinen weg door Coenen boss" door een "dakruitertje" is aangegeven. De kaart van de 
Vastelavonts Tocht toont de kerk ogenschijnlijk intact, althans met toren en spits. Wei wordt de 
kerk afgebeeld met de toren in het oosten. A. Van Slichtenhorst, kaart De Velouwe, het laeste 
vierdeel van Gelderlandt, Boeken van de Geldersse Geschiedenisse uit 1654: De kerk met toren 
en spits. Is. Van Geelkercken maakt in 1666 een kaart waarop de kerk met toren, zonder spits 
voorkomt; er is een aanbouw in de zuidoost hoek van de zaal, die iets voorbij de zaal oostwaarts 
uitschiet. Hertogdom Gelre, vierde kwartier dat is het Arnhemse, ofwel Veluwe, 17° eeuw: Kerk 
met toren en spits. 

47. Een kaart van deze tocht - meer een artist's impression - is te vinden in De geschiedenis van 
Gelderland 1492-1795, dl 2 van P.J. Mey e.a., Walburg Pers Zutphen 1975. 

48. De enkele schoten van de Spanjaarden op de stad worden afgevuurd vanaf de Galgenberg, pal 
ten noorden van de stad. 

49. De troepenmacht wordt in drieen gedeeld. Montecuculi trekt eerst naar Amersfoort en verovert 
de stad vrij gemakkelijk. Het is aannemelijk dat hij daarna verwoestingen in Ede heeft 
aangericht. 

50. Bij een schadevergoedingsregeling van het Kwartier uit 1631 krijgt een aantal kerken een 
zekere compensatie voor de in 1629 door de Spanjaarden veroorzaakte schade. Omliggende 
kerken die ervan profiteren zijn die van Oosterbeek, Renkum, Ede en Bennekom. De kerk van 
Heelsum wordt niet genoemd. Onbekend is of de kerk is beschadigd. Zou dat wel het geval zijn 
dan lijkt het aannemelijk dat het Kwartier heeft besloten geen vergoeding te verlenen gelet op 
de houding van huis Doorwerth in de kwestie van het onderhoud van de Heelsumse kerk. 

51. Duizend jaar wind en water in de Lage Landen, J. Buisman. ISBN 90.5194-141. 



62 



3. WAAROM EEN KERK IN WOLFHEZE? 

3.1. INLEIDING 

Het valt niet uit te sluiten dat het Christendom sporadisch zal zijn voorgekomen in de noordelijke 
Lage Landen tot aan de 9" eeuw. Vanaf omstreeks 800 echter wordt de bevolking aldaar - 
althans de sociale elite - door Angelsaksische predikers gekerstend. Geldt dat ook voor de 
Veluwezoom? Liudger heeft een flink aandeel gehad in de kerstening van de Veluwe, maar 
voor de Veluwezoom geldt dat er geen plaatsen zijn die definitief aan met name genoemde 
missionarissen kunnen worden gerelateerd. 

Demoed veronderstelt dat er voor de bouw van de 10 e - eeuwse stenen kerk in Oosterbeek 
een houten kapelletje is gesticht, als gevolg van de prediking van Willibrord, Bonifacius, 
Werenfried en Liudger, maar hij onderbouwt zijn visie niet. In een artikel in deel 8 van 
Ach lieve tijd, pag. 176 wordt gesteld: Rondom Arnhem werd het geloof gepredikt door 

Werenfried De Boer meent dat Willibrord in Renkum een houten kapel heeft opgericht 1 

die na het jaar 1000 wordt vervangen door een kerk. Hij voert geen bronnen aan, maar baseert 
zich waarschijnlijk op Schimmelpenninck Van den Krijenburg die zegt 2 De door Willebrord 
gestichte kapel stond nog voor 25 jaren in de onmiddellijke nabijheid van die plek (= de weide 
van het Renkumse klooster). Over de Duno-schans zegt de Boer dat er een offerplaats, een 
heiligdom, vergaderplaats, plek van rechtspraak of voor lijkplechtigheden kan zijn geweest. 
Later schijnt hier het Evangelie te zijn verkondigd door de oude geloof shelden. 

Volgens Milis heeft het kersteningsproces een vast patroon, dat hij tabellarisch samenvat: 



HANDELINGEN. 


pagane praktijken: verbod 


christelijke handelingen: gebod 


waarzeggerij 


- 


toverij 


zich bekruisen, Geloofsbelijdenis en Onze Vader 
reciteren 


bijwonen van feesten 


bijwonen van vieringen op zon- en feestdagen in 
de kerk 


verering van idolen 


vernieling van idolen, exclusieve aanbidding van 
God en respect voor de kerk 


ziektebezweringen 


Heilig Oliesel en de Communie, 
biecht en boetedoening 


daden van morele aard: verbod 


gebod: 


doodslag; diefstal 


vredelievendheid; gastvrijheid 


woeker; haat 


naastenliefde; vergevingsgezindheid 


leugen; sexuele losbandigheid 


eerlijkheid; kuisheid 


ijdelheid 


nederigheid 


vraatzucht en dronkenschap 


soberheid 


bijwonen van ijdele, wrede 
spektakels 


meditatie over religieuze onderwerpen 



63 



GEL OOF 

verbod 

heidense goden, demonen, 
amuletten, waarzeggerij , noodlot, 
astrologie (op hemel letten om b.v. 
een werk te beginnen) 



gebod: 

geloofswaarheden van de Geloofsbelijdenis; met 
geloofen devotie de Geloofsbelijdenis en Onze 
Vader opzeggen; bij alles zijn hoop op Christus 
plaatsen; bij ziekte op God vertrouwen 



Hij zegt dat eerst wordt geijverd voor de aanpassing van het openbare leven. De steun die de 
kerk (vaak) van het wereldlijk gezag krijgt vergemakkelijkt het opleggen van een nieuw, sociaal 
en collectief gedrag (b.v. verbod heidense feestvieringen). De daarop volgende bekeringsfase 
beoogt het externe, maar nu individuele gedrag te regelen (b.v. betrachten zondagsrust). De 
derde fase heeft betrekking op het inwendig gedrag. Het denken en het voelen moeten onder 
controle worden gebracht en de sociale sanctie die afwijkend gedrag reguleert moet in deze 
fase de plaats ruimen voor het geweten. 

Aan de hand van de tabel is te begrijpen dat het Christendom diep heeft ingegrepen in het 
dagelijks leven van de mensen. En ook dat de tot het Christendom bekeerde mens wel de 
"nieuwe mens" is genoemd. Door de christenen uiteraard. 

Aangenomen wordt dat de sociale top op de zuidelijke Veluwe in de 9 e eeuw tot het Christendom 
is toegetreden. Immers, in de loop van deze eeuw worden daar door landheren en vorsten 
gronden en goederen 3 geschonken aan het bisdom Utrecht en aan Duitse kloosters en abdijen. 
De lager geplaatsten op de sociale ladder zullen echter vrij spoedig zijn gevolgd en tegen 
het jaar 1000 zal het Christendom min of meer zijn gevestigd als de belangrijkste godsdienst 
op de Veluwezoom. Maar nog eeuwenlang zijn heidense gewoonten en ideeen gemeengoed 
gebleven. De angst voor heksen, spoken, katten, witte wieven en weerwolven blijft zeker tot 
in de 18 e eeuw bestaan. Heldring maakt in het begin van de 1840-er jaren nog mee dat een 
oude Wolfhezenaar geloof hecht aan de beschermende werking van een paardenkop tegen 
nachtmerries. Maar, zegt hij, het geloof aan spoken, heksen en weerwolven is veel geweken 
sedert de dagen mijner kindschheid. 

Terug naar de vraag: Waarom een kerk gebouwd op deze plaats? 

Tot nu toe zijn geen bronnen gevonden die tot een antwoord op deze vraag kunnen leiden. 
Maar wordt de vraag bezien in de context van de eeuwenlange strijd van het Christendom tegen 
het heidendom dan lijkt het toch mogelijk er enig licht op te werpen. Een andere invalshoek is 
de vraag te benaderen vanuit het perspectief van de bouwheer. Hij heeft de ontwikkeling van 
het geloof en de versterking van de kerk in de regio voor ogen gehad en de manier om dat te 
verwezenlijken. En vervolgens spelen een rol de belangen van de bouwheer zelf. 

Kortom, er zijn de lange termijn doelstellingen: a/het winnen van de strijd tegen het heidendom 
en b/ de eigen ontwikkeling in ruimte en tijd en een plan van aanpak: c/ realisering van de 
objectieven van kerk en bouwheer. 

En waarschijnlijk lopen de doelstellingen en het plan van aanpak van bisdom en bouwheer - 
ook als de laatste een eigenkerk zou oprichten - niet ver uiteen. 



64 



3.2. CONFRONTATIE HEIDENDOM - CHRISTENDOM 

Schmitt 4 schrijft: Waterlopen, meren, bronnen, rivieren en moerassen zijn plaatsen waar het 
heidendom zich in de ogen van de heilige bisschoppen manifesteert. 

En Schuyf 4 , schrijvend over heidens Nederland, zegt: In de late ijzertijd vindt men vooral 
heilige plekken in de natuur. Dit waren 'overgangsplekken ' tussen hemel en aarde, water en 
land, oppervlak en diepte: moerassen, bossen, bomen en bronnen. 

Uit haar onderzoek blijkt dat elk daarvan tot ver in de Middeleeuwen voorwerp van verering is 
gebleven en soms tot ver daarna een speciale plaats in volksgebruiken blijft behouden. 



Deze twee citaten leiden tot de aanname dat het gebied van Wolfheze, met zijn bomen, bossen, 
bronnen, beek of beken en drassige gronden in het beekdal voor "het heidendom" een attractieve 
vestigingsplaats is geweest. Vormen de heidense heilige plaatsen op zich al een uitdaging aan 
de christelijke kerk om zich hier te manifesteren, daar komen andere overwegingen bij, die 
aangrijpen op heidense gebruiken. 

• De kerk wordt omgeven door een aantal grafheuvels en steekt er letterlijk torenhoog 
boven uit. Borman 5 merkt op dat de Germanen een heilige angst voor de grafheuvels van 
hun voorouders hebben. Voorouderverering, niet getolereerd door het christelijk geloof, heeft 
plaats nabij grafheuvels en wordt tot ver na de kerstening gepraktiseerd. Bij grafheuvels 
hebben heksen- en kattendansen plaats en zij zijn tevens de woonplaats - volgens de Drentse 
dominee Jan Picardt (1600-1670) - van "witte wieven". Tot in de 18 e eeuw zijn er wel galgen 
geplaatst op of nabij grafheuvels voor de terechtstelling van misdadigers 6 . Later zal de heer 
Van Brakell van Doorwerth een kerkhof inrichten nabij de grafheuvels, aan de Zwarte Weg 
(ongeveer het huidige fietspad aan de noordzijde van de A50.) 

Trekken we op de tumuli-kaart van Houkes vanuit de Wolfhezer kerk een cirkel met een 
middellijn van twee km dan vallen er in elk geval veertien binnen het gebied. In September 
1904 rapporteert Holwerda dat hij tumuli heeft aangetroffen ten noorden van de kerk. Hij 
noemt geen aantal. Houkes vermeldt deze heuvels niet. Wellicht zijn ze bij de aanleg van de 
snelweg verdwenen. Daarnaast kunnen er toen de kerk werd gebouwd nog andere grafheuvels 
zijn geweest die inmiddels al (lang) zijn verdwenen. De kerk zal dus oorspronkelijk door 
minimaal zestien tumuli zijn omgeven. 







GRAFHEUVELS 
IN HET GEBIED 
ARNHEMHEELSUM 
De kerklocatie is 
het middelpunt van 
een cirkel met een 
middellijn van 2 km. 
Met dank aan dhr. R. Houkes 
van de AWN, afdeling 17 
te Arnhem. 



'■■-■ y "■•■Ui'i 



65 



Hoogstwaarschijnlijk is de kerk vanaf de grafheuvels, behoudens bosschages, goed 
zichtbaar. 

• Sint Eligius predikt in 641 dat de ware christen (o.a.) geen licht laat branden nabij tempels, 
bomen, bronnen en kruispunten van wegen. Later wordt het opportuun geacht juist daar kerken 
te bouwen. Bomen zijn er in het toenmalige Wolfheze zeker geweest, bronnen zijn er ook. 

Vaak zijn kerken gebouwd op of bij kruisingen van wegen, wellicht bij wijze van uitdaging 
aan het Germaanse geloof dat de geesten der doden samenkomen op kruispunten van wegen. 
De kerk ligt ten tijde van de bouw hoogstwaarschijnlijk ook aan een kruispunt en wel van de 
heerwech en de noordzuidweg. Hoogstwaarschijnlijk, want de aanwezigheid van de heerwech 
omstreeks het jaar 1000 is nog niet definitief bewezen. 

• Nieuwe kerken worden gebouwd in de nabijheid van helder natuurwater om de doop te 
bedienen. De Wolfhezer kerk is gebouwd nabij de Zwarte Kolkbeek. De thans bekende andere 
beken in het gebied zijn er dan hoogstwaarschijnlijk nog niet en de Heelsumse beek is er zeker 
nog niet. 

• Paus Gregorius de Grote I bepaalt dat nieuwe kerken moeten worden gebouwd op heidense 
cultus- of grafvelden.Veel kerkbouwers houden zich aan dit voorschrift, maar de pauselijke 
voorschriften zijn ten tijde van de bouw van de kerken in Oosterbeek en Wolfheze al ettelijke 
eeuwen oud en de (kerkelijke) wereld is inmiddels fiink veranderd. Zouden de kerkbouwers 
van de 10 e en de 1 l e eeuw en de heren van de eigenkerken zich nog hebben bekommerd om 
de ideeen van Gregorius de Grote? 

Tiemens meent dat de Oosterbeekse kerk is gebouwd op een grafveld of cultusplek uit de 
voorchristelijke tijd. 

Voor Wolfheze staat niet vast of de kerk op een heidense cultusplek is gebouwd, maar het 
is wel waarschijnlijk 7 . Groneman schrijft er niet over in zijn verslag; pas in zijn brief van 
5 oktober 1904 aan het Rijksmuseum van Oudheden oppert hij de mogelijkheid van een 
eerdere offerplaats of tempel. 

Kortom: Wolfheze is voor de bouwheer van de kerk een attractieve lokatie om zijn christelijk 

geloof te manifesteren. Hier kan hij op indringende wijze aantonen dat zijn god de sterkste 

is. 

En dat gebeurt dan ook, (vroeg) in de 1 l e eeuw met een stenen kerkje of eerder al met een 

houten variant. 

De lokatie ligt op + 25 m NAP. NAP-waarden zijn de Middeleeuwer onbekend, voor hem 
gelden waarneembare hoogte en lokale hoogteverschillen, de visuele hoogte. Welnu, de kerk 
staat op een (natuurlijke?) terp en is vanuit alle richtingen goed zichtbaar. Het gebouw is 
dominant aanwezig, alhoewel dat thans wellicht minder opvalt dan ten tijde van de bouw. 
De oorspronkelijke hoogteverschillen in de omliggende gronden zijn veranderd door het 
plaggensteken en door de bemesting van akkers met houtstrooisel en heideplaggen. De akkers 
kunnen in de loop der tijd wel 1 a 2 meter in hoogte zijn gestegen, de omliggende heidevelden 
daarentegen gedaald met een meter of meer. 

Ook valt niet uit te sluiten dat zandverstuivingen aan de hoogteveranderingen hebben 
bijgedragen. Booronderzoek zou informatie kunnen verschaffen over de opbouw van de 
gronden. 



66 



De kerk lijkt welhaast op deze lokatie te zijn gebouwd om een maximaal uitdagend effect 
te hebben op de heidense bevolking 8 . Deze suggestie wordt ondersteund door de volgende 
overweging: Aangetoond is dat het gebied al in de prechristelijke tijd is bewoond. Karel de 
Grote (742-814) combineert zijn strijd tegen de heidense Saksen met de strijd tegen de wolf. 
In de Vroege Middeleeuwen beelden christelijke heiligen de heidense demonen vaak uit als 
wolven. 

Is er een bijtender uitdaging aan het heidendom dan een kerk te bouwen op een plaats die door 
de heidenen met de door hen vereerde wolf wordt geassocieerd? 

Tenslotte nog dit: Indien en voor zover de bouwer van de kerk zich heeft laten leiden door 
religieus getinte animositeit jegens de heidense omwonenden dan moeten deze laatsten nog 
een factor van belang zijn geweest. En dat is vooral het geval voor - zeg - het jaar 1000, 
althans in een periode toen houten kapellen nog gebruikelijk waren. 

3.3. ONTWIKKELING VAN DE KERK 

BOUWHEER 

Onbekend is wie de bouwheer van de kerk is. Kerkrechtelijk valt kerkbouw onder de 
bisschop. 

In de context van het gestelde onder 3.2. is het redelijk te veronderstellen dat de kerklokatie 
is gekozen door een religieuze organisatie (kerk, klooster, bisdom, orde) dan wel door een 
bouwheer die toegang heeft tot zo'n instelling of er deel van uitmaakt. Immers, deze keuze lijkt 
gebaseerd op een gedegen inzicht in heidense gebruiken en zo gei'nspireerd door institutioneel 
strategisch denken dat die niet door een lokale heerser, die zijn eigen kerk wil bouwen, zal 
zijn genomen. 

Zoals in hoofdstuk 4 wordt uiteengezet is de kerk zeer waarschijnlijk een eigenkerk geweest. 
Het eigenkerksysteem hangt samen met de grondeigendom: de eigenaar van de grond heeft de 
daarop gebouwde kerk in eigendom. Waarschijnlijk heeft het grondgebied van de nederzetting 
Wolfheze behoord aan de familie Hamaland. Omstreeks het jaar 1000 worden echter over de 
Hamalandse bezittingen en eigendommen stevige gevechten geleverd tussen de leden van de 
familie onderling en van sommigen van hen met de Duitse keizer en bisdom Utrecht, zie 
hoofdstuk 1. 

Ten aanzien van de vraag wie de rechtsopvolgers zijn van de bouwheer zijn nu tal van 
veronderstellingen mogelijk. Echter, elk daarvan dient zich te bewegen tussen twee ver 
uiteenliggende polen: enerzijds het jaar 1000 als het gebied van Wolfheze waarschijnlijk nog 
eigendom is van Hamaland en de kerk wordt gebouwd en anderzijds het jaar 1413 wanneer de 
burggraaf van Montfoort de eigendom heeft. Bisdom Utrecht zou de eigendom van de 
Wolfhezer kerk hebben kunnen overdragen aan de burggraaf Van Montfoort, b.v. bisschop 
Godfried die rond 1 170 het kasteel Montfoort bouwt. 

Een andere veronderstelling: Tijdens of rond de "Brabantse periode", zeg vanaf de 1 l e eeuw 
tot in de eerste helft van de 14 e eeuw, is het gebied van Wolfheze in handen gekomen van 
Brabantse leenhuizen. Deze veronderstelling is minder verrassend dan hij lijkt. Er is lange tijd 
een relatie geweest tussen de Veluwezoom - Oosterbeek - en Brabantse leenheren: 

• Rond 1196 draagt de heer van Gelre zijn universum allodium quod habetat in Osterbeke 
cum monte over aan de hertog van Brabant en ontvangt het van hem in leen terug. 



67 



• Volgens de Bossche Protocollen verklaart Boudewijn, voorheen heer van Vught op 
10 augustus 1257 dat de hertog van Brabant alle goederen in Oosterbeek die hij aan zijn 
zuster Mathilde als huwelijksgift heeft geschonken en die verpand waren, voor 350 pond zal 
kunnen lossen van degene die ze houdt. 

• Jan Van Megen heeft na 1355 een leen gehad op Oesterbeke met den berghe ende met sinen 
toebehoirten. Bekend is dat deze Jan nogal eens foutief is geduid en is verwisseld met Jan 
Van Mierlo. Zeer waarschijnlijk is er een relatie geweest tussen het huis Van Mierlo en de 
burggraven van Montfoort. De eerste heer Van Mierlo (Roelof Rover van Rode, f circa 1220) 
is een leenman van de hertog van Brabant en heeft familierelaties met de heren Van Heeze 9 . 



Belangen en motieven van de bouwheer 

Het is - om strategische redenen - usance dat 10 e - en 1 l e - eeuwse kerken zoveel mogelijk aan 
belangrijke noord-zuid routes worden gebouwd 10 en liefst ook nog aan een verkeersknooppunt. 
De Wolfhezer kerk voldoet aan het eerste criterium en waarschijnlijk ook aan het tweede. 

Strategische opvattingen liggen ook ten grondslag aan de beslissing om tussen de kerspels 
Oosterbeek en Renkum een derde parochie in te lassen. Immers, zonder de parochie Wolfheze 
zouden de kerspels van Oosterbeek en Renkum wel erg groot worden en moeilijk te bewerken 
- d.w.z. te belopen - voor een pastoor. Langs de Veluwezoom liggen vijf parochies, die a.h.w. 
de Rijn als basis hebben, n.l, Arnhem, Oosterbeek, Wolfheze, Renkum en Wageningen. De 
afstanden tussen de parochiekerken van deze plaatsen zijn circa 3 a 4 km hemelsbreed. Dat 
komt ongeveer overeen met de onderlinge afstand van Betuwse kerspelkerken. 

Volgens Oltmans ligt de kerk excentrisch in de parochie Wolfheze en wel aan de noordgrens 
ervan. Daardoor vormt de kerk als het ware een vooruitgeschoven post op de Veluwe. Alleen 
de Wolfhezer kerk ligt zo ver noordelijk, de andere kerken liggen vrijwel op een rechte lijn 
nabij de Rijn. Heeft de bouwheer welbewust gekozen voor een lokatie buiten de heerlijkheid 
Doorwerth? Is er een verband met het gegeven dat Doorwerth geen deel heeft uitgemaakt van 
de Brabantse beleningen aan Gelre? Het is alles onbekend. 

Rest nog de vraag of de bouwheer en/of het bisdom de bevolking voldoende groot acht om 
er een kerk voor te bouwen. Over het algemeen is bevolkingsdichtheid geen factor van grote 
betekenis bij de beslissing een kerk te bouwen. Tal van kerken zijn in dunbevolkte gebieden 
gebouwd, al zal het bisdom rekening hebben gehouden met de bevolkingsomvang bij de 
indeling van zijn territorium in kerspels en daarmee met de bouw van kerken. 



TERRITORIAAL MODEL VAN DE VELUWE 
OP BASIS VAN KERKEN EN KAPELLEN 
De dunne lijnen stellen de werkelijke grenzen 
voor. Bron: HA. Heidinga. De Veluwe in 
de Vroege Middeleeuwen. Aspecten van de 
nederzettingsarcheologie van Kootwijk en zijn buren. 




Tiemens zegt dat in de Middeleeuwen een gemeente van ca. 200 zielen een kerk of kapel 
kreeg, te bedienen door een pastoor of kapelaan. Onduidelijk is waarop hij deze mening 
baseert, maar een bevestiging hiervan is te ontlenen aan de bouw van de kerk te Heelsum rond 
1518: het inwonertal van heerlijkheid Doorwerth wordt voor die tijd wel geraamd op ca. 200 
mensen. 

Hoe dan ook, de bevolking van de parochie moet in elk geval tot aan het begin van de 15 e 
eeuw vrij snel zijn toegenomen door de expansie van huis Doorwerth in het zuiden van het 
kerspel en door de vestiging van enkele boerderijtjes of huisjes van het wildforstergoed in het 
noordoosten ervan. 

Maar al deze strategische criteria worden opgelegd door de kerk vanuit de wens om het gebied 
onder controle te brengen. Zou de bouwheer van een kerk binnen het eigenkerksysteem niet 
ook oog hebben gehad voor zijn eigen belangen? Zou er niet op zijn minst een mix van private 
en institutionele belangen zijn ontstaan? 

De bouwheer en/of het bisdom kan een snelle bevolkingstoename hebben verwacht. 
Opvallend is de grootte van de zaal van de kerk: ruim 125 m 2 . Daar kunnen heel veel meer 
mensen de kerkdiensten bijwonen dan de eigenaar nodig had voor zijn familie. En ook 
aanzienlijk meer dan het aantal parochianen omstreeks het jaar 1000 of later in de 1 l e eeuw. 
Hij (het) kan de hoop hebben gehad dat parochie Wolfheze een verbinding zou gaan vormen 
tussen de noordelijker gelegen kerspels en de Rijn, met alle mogelijkheid om tolgelden te 
heffen. Een aanwijzing daarvoor is te ontlenen aan Heidinga's territoriaal model van de 
Veluwe op basis van kerkgebouwen. 

De bouwheer kan oog hebben gehad voor de commerciele mogelijkheden - handel, tolgelden 
en logement - van een kerk aan twee elkaar kruisende belangrijke wegen: een "zichtlokatie" 
avant la lettre. 

Hiermee lijken dan wel de vragen naar en de veronderstellingen over de motieven van de 
bouwheer te zijn uitgeput. 

Onbekend is waarom men binnen het gebied van Wolfheze precies voor deze lokatie heeft 
gekozen. Detailkennis van het grondbezit en -gebruik ten tijde van de bouw ontbreekt. 
Ook kan de keus voor de bouwlokatie zijn genomen, omdat zich precies daar een heidense 
cultusplek bevond. 

BOUW 

Enige tijd nadat de bevolking is gekerstend en relatief kort na de bouw van de kerk in 
Oosterbeek's Benedendorp, wordt in het gebied van Oud - Wolfheze een stenen kerkje 
gebouwd. 

De eerste parochianen, nog maar nauwelijks geconfronteerd met de nieuwe leer die hun 
leven drastisch heeft veranderd en nog steeds verandert, maar die nog vasthouden aan tal van 
heidense gewoonten en rituelen, zien voor hun ogen - de meesten waarschijnlijk voor het eerst 
- een groot stenen gebouw ontstaan. 

De vroege stenen kerkjes worden vaak gebouwd omdat zij (beter) bestand zijn tegen 
brandstichting dan hun houten voorgangers; ze zijn, bouwkundig bezien, een novum. Er zijn 
tot nu toe geen bouwtekeningen van gevonden en het is denkbaar dat die, althans aanvankelijk, 
ook niet zijn gemaakt 11 . 



69 



Veel van het benodigde bouwmateriaal wordt van elders aangevoerd, want tufsteen, spijkers 
en tegels zijn in deze streken niet of nauwelijks voorhanden en heel vaak, meestal, zijn er 
monniken bij betrokken. Zij - vaak van Duitse kloosters die uitgebreide goederen en gronden 
hebben in de noordelijke Lage Landen - weten waar de oude tempels, kazernes en overige 
gebouwen van de Romeinen staan en kennen de markt van sloopmateriaal. Ook kennen zij de 
mogelijkheden om afbraakmateriaal en tufsteen vanaf de vindplaatsen naar de bouwplaatsen 
alhier te vervoeren. Inderdaad zijn op de Veluwezoom tot nu toe geen restanten gevonden 
van origineel-Romeinse bouwwerken als bron van Romeins bouwafval, terwijl dat wel in 
Oosterbeek, Wolfheze en elders op de Veluwezoom is gevonden. 

Waarschijnlijk krijgen de monniken hulp van autochtonen die de vindplaatsen van keien en 
leem kunnen aanwijzen. Het hout dat in de kerk - of in een vroegere houten kapel - wordt 
verwerkt is bij voorkeur afkomstig uit de heidense heilige wouden. 
Er zullen veel Wodanseiken zijn geveld! 




ENKELE WODANSEIKEN IN 2008 



BOUWJAAR 

Tot nu toe is onduidelijk in welk jaar ongeveer de stenen Wolfhezer kerk is gebouwd. 

Het veldonderzoek van het AAC zal hopelijk een indicatie opleveren. Hopelijk, want de 
kerkresten zijn in het verleden al ettelijke malen blootgelegd en de omgeving is sterk vergraven. 
De fundamenten van de kerk zijn deels verdwenen, de kerkgraven verstoord. 
Groneman schrijft op 05-10-1904 aan het Rijksmuseum van Oudheden o.a. Wat het karakter 

der ruine, nu bijna geheel beroofd, betreft 

Kortom, alle ingredienten zijn aanwezig om een betrouwbare schatting van het bouwjaar op 
archeologische bevindingen en interpretaties te bemoeilijken. 

Echter, zoals hiervoor is opgemerkt, zal de bouw van de kerk onderdeel zijn geweest van 
een plan, hier een kerkelijk ontwikkelingsplan voor de Veluwezoom. Dit is des te meer 
waarschijnlijk omdat de kerken in dit gebied ook zouden gaan dienen als moederkerken van 
de Betuwse kerken, zie 6.4. 



70 



In het plan zijn op zijn minst de volgende punten aan de orde geweest: 

• de parochie-indeling op basis van bevolkingsomvang, -dichtheid en -concentratie 

• de vraag of de te kiezen locatie voldoet aan de belangrijke vestigingscriteria 

• de bouw van de godshuizen zelf. 

Bevolking en parochie-indeling 

Over de bevolkingsomvang in het gebied is al iets gezegd. 

Over de vroegste parochiele indeling op de Veluwezoom is zo mogelijk nog minder bekend 

dan over bevolkingsaantallen aldaar. 










*^*53^> 




DE VELUWEZOOM TUSSEN ARNHEM EN WAGEN1NGEN 1558/9 
Bron: Chr. Sgroten. 

Oltmans - commies Rijksarchief in Gelderland en historievorser - meent dat de parochies van 
Oosterbeek, Wolfheze en Renkum in de 1 P eeuw een feit zijn. 

Voor wat betreft de locatie van de Wolfhezer kerk is al opgemerkt dat die aan belangrijke 
kerkelijke criteria voldoet. 

Dan nu een poging om op basis van de gedachte dat er sprake is geweest van een geplande 
ontwikkeling te komen tot een schatting van het bouwjaar van de kerk te Wolfheze. Het ligt 
in de rede te veronderstellen dat de kerken langs de Veluwezoom min of meer gelijktijdig zijn 
gebouwd. 



71 



• Bouwjaarschattingen van kerspelkerken op de Veluwezoom. 



BRON 


KWALIFICATIE 


JAAR 


BASIS" 


SCHATTING 
BOUWJAAR 


OOSTERBEEK 


P. Glazema 


Rijksbureau Monumenten- 
zorg Afd. Oudheidk. 
Bodemonderzoek 


1946 


vo 


1000 


W.H. Tiemens 


Restauratie-architect gem. 

Arnhem, 

amateur historicus 


1977 


BO 


945 


WOLFHEZE 


W. Pleyte 


RMO b 


1893 


VO/BO 


1000 


RENKUM 


Oorkonde 


Radengheim cum ecclesia. . . 


1031 




< 1031 


WAGENINGEN (BERG) 


Historie ofte Beschryving van 't Utrechtsche Bisdom 


1719 


? 


1000 c 


Gemeente Wageningen, Geschiedenis van de stad 


2007 


? 


1000" 



a. VO = Veldonderzoek; BO = Bronnenonderzoek. b. Rijksmuseum van Oudheden. 

c. Letterlijke tekst op pag. 129: Toen het licht des Christendoms hier begon op te dagen. 

d. Download 27-04-2007. 

Elk van de bouwjaar-schattingen van de vier parochies komt uit op het jaar 1000 en elk is 
afkomstig uit origineel bronnenmateriaal resp. van onderzoekers die hun conclusies op (eigen) 
onderzoek stoelen. 

Het bouwjaar van de stenen Wolfhezer kerk kan in deze visie worden geraamd op omstreeks 
het jaar 1000, zoals Pleyte 12 - op basis van andere gegevens - heeft gedaan. 

Maar: hoe zeker is het dat het hier om stenen kerken gaat? Voor de Oosterbeekse kerk lijkt dat 
vast te staan, voor die van de andere plaatsen niet. Weliswaar beginnen de eerste stenen kerken 
omstreeks het jaar 1000 te verschijnen, het gaat wat ver om te veronderstellen dat een stenen 
godshuis wordt gebouwd in het vrijwel lege land van Wolfheze, relatief ver verwijderd van 
grote woonkernen. Bovendien is de argumentatie van Pleyte niet sterk. In het licht hiervan en 
in aanmerking nemende de opmerking aan het einde van 3.2. is het vermoeden gerechtvaardigd 
dat er rond het jaar 1000 te Wolfheze een houten kerk stond en dat de stenen kerk van latere 
tijd - loop 1 l e , wellicht 12 e eeuw - dateert. 

BOUWER 

Gelet op het aantal (pre-)romaanse kerken zou het aantal bouwheren en bouwers hoog moeten 
zijn geweest. Niet ieder van hen - wellicht de meesten niet - heeft aanvankelijk de kennis 
stenen kerken te bouwen. Deze context geeft reden tot de veronderstelling dat er contacten zijn 
geweest tussen de verschillende bouwers van de eerste stenen kerken. 

Tiemens vermoedt dat de Oosterbeekse kerk, die volgens hem omstreeks 945 wordt 
opgeleverd, is gebouwd door monniken die ook de kerk in Werden/Ruhr, opgeleverd in 943, 
hebben gerealiseerd 13 . 



72 



Dit veronderstelt een relatie tussen het bisdom van Utrecht en het Werdener klooster en die 
is er ook geweest. Naast een historische band - Liudger is afkomstig van het Utrechtse St. 
Martinus klooster en is de stichter van het klooster in Werden - zijn er praktische banden, 
werkrelaties, geweest: Werden heeft tal van bezittingen op de Veluwe, welk gebied tot het 
Utrechtse bisdom behoort. 

Waarom zouden nu juist de bouwers van de Werdener kloosterkerk ook in Oosterbeek hebben 
gewerkt? Een verklaring is dat de monniken van dit klooster, dat niet alleen bezittingen in 
Elden, Ewijk en Andelst, maar 66k in Ermelo, Putten en Otterlo heeft - maar geen goederen in 
Oosterbeek of Wolfheze - de Rijnovergang Driel/Oosterbeek gebruiken om van de Betuwse 
naar de Veluwse bezittingen en vice versa te reizen. 

Op het Veluwse traject passeren zij de nederzetting Wolfheze. Zij zouden hun recent in Werden 
opgedane bouwervaring hebben kunnen aanbieden aan de bouwers van de Oosterbeekse en, 
later wellicht, de Wolfhezer kerk. 

Van de aanwijzingen die Tiemens geeft voor een mogelijke relatie tussen Werden en Oosterbeek 
kunnen vele evenzeer worden gebruikt om een verband tussen Werden en Wolfheze resp. 
Oosterbeek en Wolfheze te veronderstellen. Overigens is dat niet geheel onverwacht, zie 
hiervoor. 

GEBOUW 

Het gebouw van de kerk kan worden opgevat als een uitbeelding van een niet zichtbare 
werkelijkheid. Enkele notities 14 : 

• Tal van andere middeleeuwse kerken, oost-west ge orient eerd. Deze orientatie wordt al in 
de voorchristelijke tijd toegepast, b.v. bij hunebedden. Bij vroeg-middeleeuwse christenen 
ontstaat de gewoonte om te bidden met het gezicht naar het oosten. In verband hiermee 
worden de kerken met de lengteas oost-west gebouwd, het priesterkoor aan de oostzijde. 
Welke symboliek hebben latere christenen er verder aan gegeven? 

Gout zegt er het volgende over: de zon als brenger van het licht is met het goddelijke 
vereenzelvigd en zijn baan tijdens de dag en in het jaar is onderwerp geworden van het 
religieuze denken. Drie punten spelen een rol: opkomst, hoogste stand en ondergang en dat 
vooral op hoogtijdagen. Op 21 maart en 21 September komt de zon precies in het oosten op, 
maar deze dagen zijn nimmer bijzondere dagen geweest. De dagen 21 juni en 21 december 
zijn wel belangrijk geweest want gewijd aan Johannes de Doper en Johannes de Evangelist. 
Soms hebben middeleeuwse kerken een afwijking in de lengteas van de kerk in het koor, die 
zou verwijzen naar het feit dat Jezus zijn hoofd neigde toen hij aan het kruis stierf. De oost- 
west orientatie is in de kerkbouw zo vorm gegeven dat de toren zich aan de westkant bevindt 
en het koor, het hoofd van de kerk, aan de oostzijde. Ook aan de oostzijde, onder het koor, 
bevindt zich de crypt. Het noorden symboliseert de streek van koude en nacht, het Oude 
Verbond. Het zuiden is de streek van warmte en licht, het Nieuwe Verbond. Uit het oosten 
komt de verlossing, de Verlosser. Het westen symboliseert de streek van de dood. 

Of de Wolfhezer kerk ook oost-west staat is op dit moment niet geheel duidelijk. Groneman 
suggereert dat wel, maar zegt het niet expliciet en doet dat wel als hij de ligging van 
geraamteresten beschrijft. Het AAC zal hierover ongetwijfeld uitsluitsel geven. 



73 




Si'?'!; 

HET KERKGEBOUW VOLGENS WITTEROOS/OLTMANS 1570/1922 

De schets toont de zuidkant van de kerk. Deze tekening is welhaast zeker niet betrouwbaar. 

De Proceskaart uit 1553 geeft een waarheidsgetrouw(er) beeld. 



• Kerken worden vaak op een verhoging gebouwd 15 en dat verwijst naar de immateriele kerk, 
gesticht op de rots van Petrus; het huis des Heren is gegrondvest op de kruin der bergen. 
Verder herinnert "berg" aan Abraham's offer op Moria, de wetgeving op de Sinai', de tempel op 
de berg Sion, Christus' verheerlijking op Thabor, zijn dood op Golgotha en zijn hemelvaart op 
de Olijfberg. De verdwenen Wolfhezer kerk staat op een terp op de zuidhelling van de sandr en 
is vanuit alle richtingen goed zichtbaar. Echter, zoals al opgemerkt zijn de hoogteverschillen 
in het gebied rondom de kerk in de loop der eeuwen veranderd. 

• De toren is zowel een verwijzing naar de prediking die naar de hemel verwijst als een 
symbool van de kerk en Maria. 

• De klok is een symbool van predikers die oproepen tot het geloof en wordt geluid om de 
gelovigen naar de kerk te roepen voor eredienst en begrafenis en om naderend onheil af te 
weren (ziekte, vijand, onweer hagelbuien, boze geesten). 

• Het altaar is het symbool van Christus en overtreft al het overige in de kerk aan waardigheid 
en verhevenheid. Altaar, klok en kerk worden gewijd door een wijbisschop. 

Op basis van de studie van Groneman, de analyse daarvan door deze auteur in zijn orienterende 
onderzoek van 2005 en vooruitlopend op de publikatie van de onderzoeksresultaten van het 
AAC wordt hieronder een korte profielschets gegeven van het kerkgebouw: 

• Een tufstenen, romaanse zaalkerk op een fundament van traskalk en veldkeien en met een 
dak van leisteen. De zaal meet ca. 17x7,5 m, de toren ca. 5x4 m. 



74 



• Datering voorshands nog onbekend. 

• De toren is misschien van latere datum dan de zaal. Maar zou dat niet het geval zijn dan 
is het wat onrealistisch te veronderstellen dat de kerk omstreeks het jaar 1000 zou zijn 
gebouwd. De hoeken van de toren zijn gebouwd op grote veldkeien, mogelijk offerstenen 
uit voorchristelijke tijden. 

• De kerk kan zijn gebouwd over een eerdere houten kapel en/of over een nog oudere heidense 
cultusplek. 

• De crypt is waarschijnlijk van latere datum dan de zaal. 

• Er is geen verbreed en geen versmald koor geweest. 

• De kerk, waarvan de lengteas misschien oost-west is gericht, staat op een - waarschijnlijk 
natuurlijke - terp. 

• De meest waarheidsgetrouwe afbeelding van de kerk voor een heel lange tijdsperiode - 
waarschijnlijk vanaf de 15 e eeuw tot aan 1624 - is wel die van de Proceskaart uit 1553. 






Hoofdindeling: 






I. Westelijk jfeel 






II. Zaal 






Aftnetingen in meters: 






A 5,04 


F 


7,56 


B 4,1 


G 


17,2 


C 1,17 


H 


1,35 


D 16,8 (totale lengte) 


I 


3,7 


E ca. 4 (verdwenen fundament) 







? Stuk afg ;ndament? 

Fundamentbreedte 0,95 k 1 meter 

PLATTEGROND WOLFHEZER KERK 

Getekend door de auteur op basis van de veldstudie van H.J.H. Groneman in 1893. 

Tenslotte een vergelijking tussen deze kerk en die van Oosterbeek ten tijde van de 
oplevering. 



75 





OOSTERBEEK 

(Tiemens, ca. 1977) 


WOLFHEZE 

(Groneman, 1893) 


Bouwtijd 


10° eeuw 

Meest waarschijnlijk tussen 

918-975, wellichtna 943 (2) 


ll e eeuw 
Onbekend. (1) 


Ligging 


Nabij beek en rivier 
Nabij rivierovergang 
Nabij noordzuidweg 


Nabij beek 
Nabij beekvoorde 
Nabij noordzuidweg 
Waarschijnlijk aan de heerwech 


Situering 


Op heidens religieuze plaats (3) 


?? 


Orientatie (4) 


Oostnoordoost-westzuidwest (5) 


Oost-west? 


Plattegrond, afm. (6) 


19x8 m 


16,8x7,56 of 17,2x7,56 m (7) 


Plattegrond, vorm 


Rechthoekig 

Drie halfronde nissen 


Rechthoekig 


Fundering 


Veldkeien in leem 


Veldkeien in traskalk (8) 


Opbouw 


Tufsteen (9) blokken 70x70x50 cm 
waarop kleinere van 50x38 cm 


Deels van in traskalk gegoten 
veldkeien 


Muren 


?? 


Geen steunberen (10) 


Vloer 


Leem 


?Zand? 


Toren 


Neen 


?Neen? 


Type kerk 


Zaalkerk, pre-romaans 


Zaalkerk, romaans 



(1) Zie b.v. 3.3. (2) Romers stelt dat de kerk is gebouwd in de 2° helft van de 10° eeuw in de 
preromaanse- of laatkarolingische tijd. Glazema dateert de kerk op het jaar 1000. Van de Bunt zegt 
9" eeuw en Schuyf meent: zeker 10° eeuw. (3) Strategie van Paus Gregorius de Grote (540-604). 
(4) Lengte-as. (5) Vele middeleeuwse kerken zijn oost-west georienteerd, maar de orientatie van de 
Oosterbeekse kerk is niet uitzonderlijk. (6) Men meet in Rijnlandse Roeden (RR). 1 RR = 3,756 m 
= 12 Rijnlandse voeten van 0,3 13 m; Romers stelt de buitenwerkse afmetingen van de Oosterbeekse 
kerk op 1 8,25x8m, Demoed op 1 7x7 m (zonder toren). (7) Uitgangspunt is de notitie van Groneman 
in zijn dagboek en aangenomen is dat de toren later is gebouwd dan de zaal. Het onderzoek van het 
AAC zal hopelijk uitwijzen of deze aanname juist is. (8) Mengsel van njngemalen tufsteen, tras 
en kalk, dat zeer hard wordt. (9) Poreuze, zachte, grijze natuursteen van vulkanische oorsprong. 
Naarmate het langer buiten staat vormt zich een weerlaag waardoor het zich hardt. Aangetroffen 
in het Duitse Eiffelgebergte. Veel gebruikt voor de bouw van romaanse kerken. Vervoer via Rijn 
en Yssel naar Utrecht en Deventer en vandaar verder transport naar andere landsdelen. Sinds 
halverwege de 13 c eeuw gaat men over op kloostermoppen, die alhier worden gebakken omdat het 
vervoer van tufsteen te duur wordt. (10) Naar buiten uitspringende muurverzwaring, bedoeld om de 
zijwaartse druk van de kapconstructie en/of de n. 



Resten en vondsten 

Wat is er gebeurd met de resten van het gebouw? 

• In 1390/1 wordt de of een kerkklok door de stad Arnhem "afgewynd". Is hij wellicht 
bestemd voor de nieuwe kerk der Kanunniken die daarvoor in 1391 van stadswege nog 52000 
stenen hebben gekregen? Deze kerk, gebouwd tussen 1315 en 1400, is in 1315 door de RDO 
opgegeven om er het vroegere kapittel van Tiel in te doen opnemen. 



76 



Een andere bestemmingsmogelijkheid is het klooster Mariendaal dat omstreeks 1392 wordt 

gebouwd. De (mede) oprichter van dit klooster is Wynant van Arnhem van Rosande. Hij is 

de grootvader van Elisabeth van Arnhem, die is gehuwd met Evert van Wilp, Evert I in dit 

werk. 

Verder is hij de vader van de Wynant die in 1390 burgermeester is van Arnhem en een 

neef van de Wynant van Arnhem die dat in 1391 is (zie noot 4, hoofdstuk 7). 



a *- \ 

n. , ' 










Betekenis cijfers: 

1 = Fundament 

3 = Vermeend poortgebouw 

5 = Schaapskooi 

7 = Greppel 

Afstanden in meters: 
Schaapskooi tot kerk ca. 35 
A = 8 
C=40 



2 = Terphelling 

4 = Heerwech 

6 = Weg Kasteel Doorwerth-Station Wolfheze 



B = ca. 12 
D = ca. 35 



De greppel is overal 7 m breed. De diepte is 1 m, gemeten vanafde toppen der beide zijden. 

KERKRUINE EN OMGEVING IN 1893. 

Getekend door de auteur op basis van de veldstudie van 

H.J.H. Gronemaninl893. 

Oltmans maakt melding van eene overlevering in 1893 medegedeeld door den heer Minkman 
te Oosterbeek, dat een klok van Wolfhezen tot 1855 a 1860 dienst heeft gedaan bij het 
Drielsche veer. In 1669 kocht de stad Arnhem het Drielsche veer van de kerk te 
Oosterbeek u . 

Mogelijk, maar waar - in Arnhem!? - is de klok geweest tussen 1391 en 1669? Groneman 
meent dat de klok door de watersnood van 1855 is weggevoerd, later weer is gevonden en 
opgehangen en vervolgens stukgeslagen. Hij doelt waarschijnlijk op de z.g. "waterramp" van 
maart 1855. Die was echter ook een "ijsramp": zware ijsgang op de Rijn, kruiend ijs en 
dijkdoorbraken 17 . De schilders J.N. Starckenborgh Stachouwer, E.P. van Bommel en W. Maris 
schilderen medio 19 e eeuw een luidklok bij het veer Oosterbeek/Driel. 



77 




HET DRIELSE VEER MET LUIDKLOK VAN W. MARIS 

• Schipper Melis Eibers (Jelis Aelbers?) krijgt op 9 oktober 1624 vergunning van de 
Gedeputeerden van het Kwartier Veluwe om het gruys van de duyfsteen van de kercke tot 
Wolfhesen af te voeren voor een bedrag van de tonne voer sesthien stuver, ieder tonne tegens 
twee heringstonnen gerekent. Hij haalt er 60 "heringstonnen" vandaan, belopende acht en 
veertich guldens. De transactie wordt ter plekke gecontroleerd door Jan Claecks. Daarna blijkt 
dat, alhoewel velen tufsteen hebben weggehaald bij de kerkrui'ne, er toch nog wat over is, want 
op 2 juni 1627 verkopen de Gedeputeerden van het Kwartier Veluwe alle resterende tufsteen 
van de kerk voor de som van / 375 aan de stadsmetselaar Mr. Aert van Arnhem. Aert belooft 
in deze transactie dat hij noch een teicken ende overblijffsel ter bequaemster plaetse sal staen 
laten. 

In 1618 probeert Ds. Heshusius van de Heelsumse kerk - de Hervorming heeft tegen het 
einde van de 16 e eeuw zijn intrede op de Veluwe gedaan, maar de rooms katholiek gebleven 
Heer van Doorwerth moet niets van deze nieuwlichterij hebben en werkt de Heelsumse kerk 
op alle mogelijk manieren tegen - het Hof van Gelderland ertoe te bewegen dewiil die heere 
van den Doorenwaert niet wil volgen laeten die thienden, die van outsheer tot die pastorye 
gehoort hebben end van die pastooren dier plaetse by menschen memorie gebruyct siin, als 

met naemen die thiend (volgt een opsomming van enkele enken) beneffens die thiend 

van Wolffhesen (hoewel daeraen getwyfelt wort, off die heere van den Doorenwaert dienselven 
der pastoorye tot Heelsom tot een supplement sonde toegeleyt hebben™. 

• In 1628 - de Heelsumse kerk verkeert nog steeds in vervallen staat - doet de klassikale 
vergadering van Overveluwe een verzoek aan de Gedeputeerden van het Kwartier om de 
revenuen van de vercochte kercke van Wulfheese en het nog overgebleven hout ervan ter 
beschikking te stellen van de Heelsumse kerk. 

Het verzoek blijft zonder resultaat. 



• Pas in de 1650-er jaren wordt enige vordering gemaakt met het herstel van de kerk. De 
Heer van Doorwerth verleent medewerking door bouwmateriaal ter beschikking te stellen en 
vervoersmogelijkheden. Omstreeks het midden van deze decade beloven de Gedeputeerde 



78 



Staten een bedrag van 400 gulden uit de opbrengst van de Wolfhezer kerk te voteren voor de 
renovatie van de Heelsumse kerk. Volgens Van den Berg worden met dit geld de glazen van de 
kerk (waarschijnlijk bedoelt hij de ramen) hersteld en wordt er een preekstoel voor gekocht 
van de Lutherse gemeente in Arnhem 19 . 

• De meeste veldkeien van het torenfundament zijn volgens Groneman gebruikt om een weg 
te verharden. De grootste kei is in elk geval tot aan de zomer van 1904 onder den toren blijven 
liggen. 

• Groneman heeft de fundamenten weer met grond bedekt. De resten van mens en dier 

zijn grotendeels weder aan den bodem die hen zoo lang dekte, met groote pieteit 

toevertrouwd. 

• Vermeldenswaard is nog de vondst - aan de oostzijde van en buiten de kerk - van een tufsteen 
van 9x17 cm, op een zijvlak waarvan een ruw kruis is gebeiteld. De twee delen van het kruis 
staan niet loodrecht op elkaar. De "beitelkunst" is rond het bouwjaar van de kerk al goed 
ontwikkeld en staat op een veel hoger niveau dan dat waarvan dit kruis blijk geeft. In de loop der 
eeuwen zijn tal van verschillende kruisen vervaardigd. Alhoewel een aantal naslagwerken over 
kruissymbolen is geraadpleegd is niet een vorm gevonden die voldoet aan de "specificaties" van 
het model dat Groneman beschrijft. In een brief dd. 7 maart 1894 van een onbekende schrijver 
wordt aan Groneman gesuggereerd dat het tufsteenkruis een fragment was van het altaar. De 

altaar altijd voorzien van 5 kruizen. De schrijver tekent 5 kruizen - met armen die elkaar 

loodrecht middendoor delen - op de bovenzijde van een altaar. 

Hoe dan ook, de conclusie moet luiden dat dit kruis door een amateur beeldhouwer moet zijn 
gemaakt. 

Groneman zegt dat de overige gevonden voorwerpen, m.u.v. enkele stenen van de grafkelder, 
zijn overgedragen aan het museum in Arnhem. Latere onderzoekers hebben daarvan evenwel 
niets aangetroffen. De conservator van het Historisch Museum in Arnhem deelt de auteur in 
augustus 2002 mee dat de vondsten van Groneman bij zijn weten nimmer aan het museum zijn 
overgedragen. Het Gelders Depot voor Bodemvondsten in Nijmegen en het Rijksmuseum van 
Oudheden in Leiden hebben evenmin vondsten van Groneman. 




KERKRUINE EN OMGEVING IN 2008 



79 



Vondsten door de auteur 

Hieronder volgt een vermelding van twee oppervlaktevondsten aan de oostzijde van de kerk 
en wel bij de meest oostelijke van de 2 sleuven die in 2002 zijn gegraven door het AAC: 

> Een donker, beige gevlamd, vrijwel rond schijfje, 22 mm, dik 7 mm, van steen of glas. 
Qua kleur, vorm en afmeting visueel identiek aan speelschijfjes van verschillende kleuren glas 
uit de Romeinse tijd in Museum Het Valkhof Nijmegen, nr. 5 in vitrine Ambacht en Vertier, 
november 2003. 

> zes platte, donkere veldsteentjes, alle met twee natuurlijke aders, die elkaar zodanig kruisen 
dat zij een vrijwel perfekt christelijk kruisteken vormt. Een ervan is gebroken, de overige 
verkeren in hun natuurlijke, oorspronkelijke vorm. De auteur heeft voor en na deze vondst op 
veel plaatsen in het gebied lopen speuren, veel geaderde natuurstenen gezien, weinig platte en 
geaderde en, buiten deze vondst om, geen enkele met aders die het kruisteken vormen. 

Wat is de funktie van deze stenen geweest? Zijn ze afkomstig van het koor of van het 
kerkhof? 




VELDSTENEN MET HET KRUISTEKEN EN EEN (ROMEINS?) SPEELSCHIJFJE 



NOTEN HOOFDSTUK 3 

1. Ongeveer daar waar in de 15" eeuw het Augustijner nonnenklooster staat. 

2. Bijzonderheden omtrent de vroegste geschiedenis van de gemeenten Renkum en Oosterbeek. 

3 . O.a. Oosterbeek 834; Seelbeek 893 ; Arnhem voor 893 . 

4. J.C. Schmitt: Bijgeloof in de middeleeuwen. Uitg. Sun Nijmegen; ISBN 90-6168-445-5. J. 
Schuyf: Heidens Nederland. Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden. 

5. R. Borman. Archeologie in Gelderland. Uitg. Terra Zutphen, ISBN 90-6255-090-8, pag. 12. 

6. Kwade mensen: Toverij in Nederland, W. Blecourt e.a. Uitg. P.J. Meertens Instituut van de 
K.N.A.W. ISBN 90-70389-1 1-8. 

7. De vroege christelijke kerkjes worden vaak op heidense graf- of cultusvelden gebouwd: Zeist, 
Arnhem, Xanten, Zelhem, Drempt, Elden. De Elster kerk is gebouwd op Romeinse tempels. 

8. De kerk ligt iets westelijk van Den Heijlgen berg, welke voorkomt op de kaart van Klinkenberg 
uit het jaar 1756. Voor zover thans bekend wordt deze berg voor het eerst door Klinkenberg 
genoemd. De herkomst van deze naam is onbekend en het jaar 1756 wel wat laat om hier 



80 



zonder enige aanleiding een prechristelijke cultusplek te vermoeden. 

9. Bronnen: Heemkunde Kring Myerle: Mierlo, zijn oudste heren en hun familie (c. 1 100-1335) 
door H. Vogels. ISBN 90-805381-1-6, 1999. De grensgebieden in het noordoosten van Brabant 
ca. 1200-1795 van G.F. van der Ree-Scholtens. ISBN 90 232 2803 0. Assen/Maastricht, 1993. 
Brabants Heem, 1955. 

De hypothese wordt wellicht ondersteund door het volgende: "Heze"-namen zijn zeldzaam op 
de Veluwe. Dat is vreemd omdat hees staat voor struikgewas, bomen, heide. Echter in Brabant, 
vooral nabij Mierlo komen hees- en hezenamen met enige frequentie voor: Heesbeen, Holthees, 
Heeswijk, Heesch, Maashees, Bernheeze, Heeze, Maarheeze, Milheeze. Ook wolf-namen 
komen relatief laag frequent voor op de Veluwe, terwijl die in Brabant tamelijk frequent zijn 
(geweest). In Brabants Heem 1955 worden er omstreeks 50 geteld. Wei staat deze hypothese 
op gespannen voet met de aanname dat de naam Wolfheze uit voorchristelijke tijd kan dateren. 
Hoe dan ook, een vergelijkend toponymisch onderzoek lijkt raadzaam. 

10. O.a. Ellecom, Oosterbeek, Renkum, Arnhem, Rheden, Velp. 

11. Zoals bij de scheepsbouw ook heel lang het geval is geweest. 

12. In een brief van 2 oktober 1893 beargumenteert hij zijn conclusie a.v. ten eerste komt 

Wolfheze in de oude charters niet voor, zelfs niet voor hetjaar 1200; ten tweede: de handel in 
tufsteen voor de kerkgebouwen dateert voornamelijk van af de 11" eeuw; ten derde: de oudste 
kapellen waren van hont opgetrokken. 

13. Glazema meent dat de bouwmeester van de Oosterbeekse kerk zijn Werdener collega heeft 
gekend of dezelfde is geweest. 

14. M. Gout, Symboliek in kathedralenbouw, Uitg. Mirananda B.V. Den Haag, 2001; ISBN 90 
6271 903.1. en J.J. Timmers: Christelijke Symboliek en Iconografie, 2° en 8 C druk. 

15. O.a. Heelsum, Wijhe, Hoogkeppel, Barchem. 

16. De koopovereenkomst dateert van 18 februari 1669 en omvat het veer, huis, hof en grond, alles 
eigendom van de Oosterbeekse kerk. De koopsom bedraagt 4500 gulden, waarvan 1000 gulden 
in geld wordt betaald, voor het restant geeft Arnhem een schuldbekentenis af. 

17. Waarschijnlijk a.g.v het door J. van Doesburg e.a. in Het rivierengebied in de Middeleeuwen en 
Vroegmoderne Tijd beschreven fenomeen: Het zomerbed van de rivier lag vol met zandbanken, 
vanuit de oevers waren lange kribben aangelegd, en het oevergebied werd zo snel mogelijk 
beplant om wegspoeling te voorkomen. Er bleef voor de rivier maar een smalle stroombaan 
over. Het gevolg was dat het kruiende ijs na een vorstperiode niet meer werd afgevoerd, zodat 
er ijsdammen konden ontstaan. Achter de ijsdammen werd het water opgestuwd, waardoor de 
winterdijken overliepen of bezweken. 

18. Het gevolg hiervan is een proces, dat uiteindelijk in 1635 tot een uitspraak ten voordele van de 
Heelsumse predikant leidt. 

19. J.M. van den Berg, Magnalia Dei, De geschiedenis van het kerkelijke Doorwerth-Heelsum. 



81 



82 



4. OORSPRONG EN ONTWIKKELING 

Over de oorsprong van de kerk en de ontwikkeling in de eerste eeuwen daarna is tot op heden 
niets bekend. Een patrocinium is onbekend. Zoals vermeld zal het gebied waarin de kerk is 
gebouwd omstreeks het jaar 1000 hebben behoord aan de Hamalanders. 

Behoort de kerk tot een "oerparochie" 1 ? Is Arnhem wellicht een oerparochie geweest 
voor de Veluwezoom? Of is hij ontstaan als dochterkerk van een bisschopskerk of van de 
Oosterbeekse parochie? Dat laatste is mogelijk voor wat betreft de Voile Middeleeuwen - er 
zijn geen bronnen voor aangetroffen - maar is vrijwel uitgesloten voor de Late Middeleeuwen. 
De Oosterbeekse kerk heeft in de Middeleeuwen geen kapel elders op de Veluwe gehad 2 , er is 
geen behoefte aan geweest omdat het dorp en zijn omgeving pas laat - in de Nieuwe Tijd - tot 
ontwikkeling komen. Gewoonlijk wordt eerst de eigen, bestaande kerk vergroot voordat elders 
een kapel wordt gebouwd en de eerste twee uitbreidingen van de Oosterbeekse kerk hebben 
plaats in 12 e en 14 e eeuw. 




DE OOSTERBEEKSE KERK IN 1750 

Pentekening van W.H. Tiemens uit 1973 naar een tekening in Museum Boymans 

vermoedelijk van Jan de Beyer. 

De Wolfhezer kerk is een z.g. "eigenkerk" geweest 3 . 

Eigenkerken worden veelal door leken - landheren - gebouwd, maar ook door kloosters en 

bisschoppen. Deze kerken treden onafhankelijk van het bisdom op en komen vooral tot stand 

op het platteland, op enige afstand van de steden. Op de Veluwe zijn er waarschijnlijk vrij veel 

geweest. 

In welk tijdvak is de kerk zo'n eigenkerk geweest? 

Volgens Kuys is het eigenkerksysteem in het bisdom Utrecht tot in de 12 e eeuw overheersend 
geweest, vrijwel exclusief zelfs. Statistisch bezien moet de Wolfhezer kerk toen dus 
welhaast een eigenkerk zijn geweest. In de loop van de 13 e eeuw kan de kerk vervolgens een 
"collatiekerk" zijn geworden 4 . Vanaf de 15 e eeuw tot aan de reformatie is de kerk in elk geval 
een collatiekerk. Het is niet waarschijnlijk dat de kerk voor dit tijdvak een gei'ncorporeerde 
kerk zou zijn geweest, - ingelijfd in een religieuze instelling als bisdom, klooster of kapittel 
- omdat een dergelijke instelling een kerk niet snel zou vervreemden. In elk geval wordt 
Wolfheze niet genoemd in een charter uit 1368 dat een overzicht geeft van het bisdom Utrecht 
in 1278 5 . 



83 



Niet alle nieuwe kerken komen tot stand om aan de behoefte der christenen te voldoen, er 

worden ook kerken gesticht met het oogmerk verdienstelijk werk te doen of om zielsrust te 

"kopen" voor zichzelf of anderen. In wezen dus meer een uiting van "bijgeloof " dan van 

christelijk geloof. 

Tenslotte is er nog de mogelijkheid dat de kerk vanaf het begin een parochiekerk is geweest, 

ontstaan in een ontginningsgebied dat als kerkelijk niemandsland direct onder het bisdom 

ressorteert. 

Maar is de Wolfhezer kerk de facto een parochiekerk geweest? 

Dochterkerken, eigenkerken en kapellen kunnen zich tot parochiekerk ontwikkelen, alhoewel 

er geen algemeen geldende kerkrechtelijke defmitie van het begrip "parochie" is. 

Echter, de Wolfhezer kerk heeft een begrafenisrecht, er is een pastoor aangesteld en er is voor 

hem een territoriaal omlijnd gebied, er is een tiend-inkomen en er is een koster 6 . Geen van 

deze aspecten afzonderlijk genomen is een bewijs dat de kerk een parochiekerk is, maar het 

geheel ervan is er wel een aanwijzing voor. 

Een andere aanwijzing lijkt te zijn de ligging en de grootte van de parochie t.o.v. die van 

de beide aanpalende kerspels, die van Oosterbeek en Renkum. Het feit dat er een kerkhof 

is vormt geen aanwijzing dat de kerk een parochiekerk is, want kapellen kunnen ook een 

kerkhof hebben. Maar is het gegeven dat er doden in de kerk zijn begraven indicatief voor een 

kerspelkerk? 

Tenslotte is daar het gegeven dat de Wolfhezer kerk als dochter heeft de parochiekerk van 
Heteren, zie 6.4. 

Kortom, op grond van kerkelijke bronnen is het welhaast zeker dat de kerk een parochiekerk 
is geweest. Maar sinds wanneer is onbekend. 

Andere bronnen en overwegingen bevestigen dat de kerk een kerspelkerk is geweest: 

• Oltmans zegt dat in de IP eeuw een kerspel Wolfheze bestaat dat ligt tussen dat van 
Renkum 7 en Oosterbeek 8 . Hij meent voorts dat in de 12 e of begin 13 e eeuw in het zuidelijke 
deel van dit kerspel het kasteel Doorwerth is gevestigd en dat dus het Wolfhezer kerkgebied de 
buurtschap Heelsum, de heerlijkheid Doorwerth en het gebied rondom de kerk omvat. Vaak is 
de grens van een buurtschap dezelfde als die van een kerspel, maar het komt ook voor dat een 
kerspel meerdere buurtschappen omvat. Demoed meent dat Wolfheze een kerspelkerk heeft 
gehad en dat Heelsum tot het kerspel Wolfheze heeft behoord, maar hij geeft geen tijdvakken 



• Een verdere aanwijzing dat de kerk een kerspelkerk is geweest komt uit het gegeven dat 
de kerk in 1390 een toren heeft. Kremer, oudheidkundige van Arnhem, schrijft in 1893 aan 
Groneman o.a. Dat de toren ten Westen der kerk stond wijst er dunkt mij op, dat het een 
kerk was, geen kapel. Kapellen hadden in den regel, naar ik meen, geen afzonderlijk staande 

torens In de Beschrijving van het Utrechtsche Bisdom wordt over Wolfheze nauwelijks 

gesproken, alleen dit: Wolfhezen is eene parochie in de Velnwe, sijnde leenroerig onder 
Doornewaert. Bijleveld, archivaris van provincie Gelderland, geeft Groneman een schetskaart 
uit de eerste helft van de 17 e eeuw, waarop de kerk met toren voorkomt en de kapel van 
Doorwerth met dakruiter. Groneman stelt heel algemeen dat kapellen gewoonlijk dakruiters 
hebben gehad 9 . 

• Uit Gelre's Register op de Leenakten Boeken Kwartier Arnhem blijkt dat in 1402 aan 
Robbert Van Dorenweerd goederen worden beleend die deels in Wolfheze liggen: ...met 



84 



den bossche dat daerto hoort, gelegen in den kerspel van Wolffhezen ende van Oosterbeeck. 
Hieruit valt niet te concluderen of er in dat jaar twee afzonderlijke kerspels of een kerspel 
Oosterbeek/Wolfheze is geweest. Echter, in 1402 wordt Robbert ook beleend met Den hoffte 
Zeelbeck met alien sijnen tobehoren, gerichte, thynse, thienden, mannen ende bosche en deze 
belening wordt vermeld onder de kop Wolffhezen in hetzelfde register. 

• Omdat de Oosterbeekse kerk in 1539 en 1548 pastoors heeft met andere namen dan hun 
Wolfhezer collega's hebben en omdat pastoors een zielzorgmonopolie in hun parochies hebben, 
wordt aangenomen dat er, althans in deze jaren, ook twee afzonderlijke parochies zijn. 

• In een dokument uit 1461 dat in 6.5. verder wordt behandeld, blijkt dat de pastoor tot 
Wolfhesen ende tot Helsom ook de diensten zal leiden in de kapel van Doorwerth. 

En in dokumenten uit de 1470-er jaren, 1497 en 1501 over de belening van o. a. de Wolfhezer 
kerk aan de familie Van Wilp, komt naar voren dat deze adellijke familie het recht heeft de 
geestelijken te benoemen. Hieruit valt op te maken dat de kerk in deze periode niet een kapel 
maar een parochiekerk is. Deze documenten komen gedetailleerd aan de orde in 6.1. 

Er is dus voldoende reden om bewezen te achten dat de Wolfhezer kerk een parochiekerk is 

geweest. 

Maar het gebouw zou een kapel worden. Althans, het zou de kapelstatus krijgen want het is 

onduidelijk of het ook als kapel is gebruikt of zelfs iiberhaupt nog is gebruikt in de 2 e helft 

van de 1 6 e eeuw. 

Op een kaart uit ca. 1550, waarop de kerkelijke indeling van o.a. de Veluwezoom is 
ingetekend 10 wordt de Heelsumse kerk aangegeven als parochiekerk" en die van Wolfheze als 
een kapel. Muller neemt op grond van de rekening van de bisschoppelijke vicaris over 1526 
aan dat de parochiekerk te Wolfhezen en een te Heelsem staande kapel nog voor de hervorming 
hun functies moeten verwisseld hebben, zooals zoo vaak voorkwam. De parochie heeft dan 
vermoedelijk omvat de burgerlijke gemeente Doorwerth benevens de Bovenheide, die thans 
(1921) burgerlijk en kerkelijk tot Oosterbeek behoort 12 . 

Echter, rond 1550 lijkt de kwestie nog niet geheel uitgekristalliseerd. 

In een rekening van den ontvanger van het cathedraticum (assum) van 1545, 1550, 1551 
of 1555 wordt de parochie beschreven als Wolffhesen alias Helsen. - Wolffhesen, terwijl de 
rekening van den bisschoppelijken vicaris van 1554/5 vermeldt: Item de collatione ecclesie 
parrochialis de Helsem in Veluajure devoluto facta domino Carolo Scewickhoeven: Actum 14 
Martii 42 st". 

Waar Muller spreekt over de kapel te Heelsum, bedoelt hij de rond 1518 gebouwde kapel, nu 
de N.H. kerk, in de noordwest hoek van de kruising A50/N225. Aanvankelijk heeft deze kerk 
de status van een kapel. Dat blijkt b. v. uit een brief van Johan Van Wytenhorst uit 1556, waarin 
o.a. staat ...dat die kerkckvan Heelsem noch in corten verleden jaeren een cappel geweest... 
Dit klopt met het gegeven dat er aanvankelijk geen toren is. En zegt Van Wytenhorst vervolgens: 
Daarna is deselve capelle in een parochiekerk erigiert worden 

Uit mei 1559 dateert de bul super universas orbis ecclesias van Paus Paulus IV waarin een 
lijst voorkomt van deplaatzen van bisdom Utrecht: En onder anderen hebben zy aan gemelde 
kerke van Utregt, en aan den Aartsbisschop van Utregt die 'er dan weezen zal, voor haar 
Bisdom toegewezen de volgende plaatzen, zoo als in ieder der voornoemde brieven, bewijs 
stukken en geschriften breeder staat uytgedrukt.Er komen tientallen namen op voor, in onze 
contreien o.a. Heteren, Oosterbeek, "Reikom", "Heelsom". Ook de naam "Woltheelsom" 
komt er op voor en uit het verband is af te leiden dat hiermee Wolfheze wordt bedoeld 14 . 



85 



Omdat over plaatzen wordt gesproken en niet over kerken en/of kapellen is uit dit stuk niet af te 
leiden of de Wolfhezer kerk is "gedegradeerd" tot een kapel van de Heelsumse parochiekerk. 
Het gegeven dat (de kapel van) Doorwerth niet wordt genoemd behoeft niet te betekenen dat 
die in 1559 niet meer zou bestaan. De opsomming van de plaatzen is niet compleet; in onze 
contreien ontbreekt b.v. ook Driel. 

Lensen en Beekman zeggen dat Heelsum en Wolfheze in 1561 tot een parochie worden 
samengevoegd en dat Oosterbeek en Renkum dan elk een afzonderlijk parochie vormen 15 . 

NOTEN HOOFDSTUK 4 

1. D.w.z. ontstaan tijdens of kort na de kerstening. 

2. Oosterbeek heeft gedurende zekere tijd tot aan ca. 1470 de buurtschap Driel in zijn parochie. 

3. Het systeem van de "eigenkerk" bestaat al tijdens het pausschap van Gregorius de Grote en 
is vanaf het jaar 700 vrijwel overal in gekerstend West Europa aanvaard. Officieel wordt het 
systeem erkend in 826, tijdens het pausschap van Eugenius II; het zou ettelijke eeuwen in 
zwang blijven. Iedereen kan een kerk bezitten: een klooster, een bisschop, prive personen, een 
koning. De eigenaars kunnen hun kerken, die soms ver buiten hun domicilies liggen, kopen, 
verkopen, ruilen, verbouwen en onder erfgenamen verdelen. 

4. Het recht van de eigenkerkheren wordt in de 12 e en 13° eeuw op papier ingeperkt als het wordt 
vervangen door het collatierecht dat de eigenkerkeigenaars o.a. het recht geeft kandidaat- 
geestelijken bij de bisschop ter benoeming voor te dragen. 

5. Kronyk van het Historisch Genootschap Utrecht, 1857, pag. 169 e.v. 

6. Heeft de kerk een dooprecht gehad? Het is onbekend; niet iedere parochiekerk in het bisdom 
Utrecht is een doopkerk. Wei blijkt uit het dokument uit 1461 dat in de Doorwerthse kapel geen 
doop mag worden bediend. 

7. A.B. de Jong concludeert in "Katholiek Renkum Heelsum door de eeuwen heen " dat omstreeks 
het jaar 1000 het kerspel Renkum een feit is. 

8. Oltmans suggereert dat de oude Oosterbeekse kerk in het l e kwart van de ll e eeuw een 
parochiekerk is, Gelre's Bijdragen en Mededelingen, dl 28, 1925. 

9. Met dakruiter kan een angelusklok worden bedoeld, maar ook een figuur van mens en/of dier. 

10. Muller 1921/Michiels 1996. 

11. Op een kaart uit 1556 van Jacob Van Deventer staat de Heelsumse kerk zonder toren. 

12. Muller voegt er in een noot aan toe: Van derAa vergiste zich met te zeggen, dat Laag Wolfhezen 
kerkelijk tot Oosterbeek behoort. Dit geldt van Hoog Wolfhezen, hetgeen zoowel geographisch 
het eenig mogelijke is als volgens bericht van den predikant ook feitelijk het geval is. Maar 

het is Muller die een vergissing maakt, zie het artikel Wolfheze wat zegt een naam? 

Schoutambt en Heerlijkheid 3/2004. 

13. Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573, K. Heeringa. 

14. Historie ofte Beschryving van 't Utrechtsche Bisdom. Uitg. Leiden, 1719. 

15. De nieuwe bisdommen in de noordelijke Nederlanden door A.H.L. Lensen en A. A. Beekman, 
Geschiedkundige atlas van Nederland. Uitg. M. Nijhoff, 1922. 



86 



5. GEBRUIK VAN KERK EN KERKHOF 

Het kerkgebouw vervult een aantal functies, die hieronder kort worden beschreven. 

Geloofscentrum 

De kerkdiensten worden in het latijn gevoerd en de kerkgangers kunnen tijdens de dienst 
rondlopen. Dopelingen komen de kerk binnen als heidenen aan de noordzijde, daar staat het 
doopvont en worden zij gedoopt om de kerk als christenen aan de zuidzijde te verlaten. Doden 
worden langs dezelfde weg de kerk in- en uitgebracht. Om de boze geesten af te weren wordt 
de gewijde kerkklok geluid. De lezenaar of- vanaf de 15 e eeuw - de preekstoel staat gewoonlijk 
tegen de zuidmuur opgesteld. Kerkbanken zijn er, althans aanvankelijk, niet geweest. 

Marktplaats 

Alhoewel in de kerk geen handel mag worden gedreven 1 zullen naar middeleeuwse gewoonte 
kerk en kerkhof - gelegen aan een kruising van belangrijke internationale routes - toch ook als 
markt zijn gebruikt. Het gevolg is dat gebouw en kerkhof tot een soort "hangplaats" verworden. 
Dat gebeurt althans elders op de Veluwe en het brengt Veluwse pastoors er in 1560 toe aan 
te dringen op de uitvaardiging van een plakkaat om een einde te maken aan het verkopen, 
tappen, vretthen, suypen und verpachten, mil die clopperien, dat trommen und schieten onder 
den dienst Gades in den kerken ind oick op den kerkhof. Maar, in 1594, na de reformatie 
dus, is er nog weinig veranderd, want dominee Gerhard van Keppel uit Twello vraagt op een 
classisvergadering in Wageningen: Dat alle ongestuymicheyt voer die predicatien soewel als 
onder ofte nae der predicatien bij ende op den kerckhaven, vele meer averst in der kercken 
verbaeden und gestillet werde. 

Maar, niet alleen de normen en waarden van sommige parochianen zijn verloederd ook over 
die van een deel der Gelderse geestelijkheid valt weinig goeds te melden. Er worden nogal 
eens wandaden gepleegd, misdaden soms begaan door geestelijken in Veluwse parochies 2 . 

Herberg 

De kerk zal - naar de gewoonte toen - ook als slaapplaats voor de reizigers hebben gediend. 
De loge's gaan zich nogal eens te buiten aan drank en seks en dat is de reden waarom de 
kerkvergadering van Avignon in 1209 het overnachten in kerken verbiedt. 

Vluchtplaats 

De kerktorens, veelal voorzien van een zolder, doen vaak dienst als vlucht- en schuilplaats. 
Het asielrecht geldt er niet. Misdadigers nemen nogal eens hun toevlucht tot de toren, omdat 
de overheid ze er niet uit kan verwijderen zonder eerst de immuniteit van het kerkgebouw 
te schenden. Immers, de toren is meestal alleen toegankelijk vanuit de kerkzaal. Dat laatste 
is niet van toepassing op de kerk van Wolfheze, omdat de toren - althans rond 1553 - aan de 
noordzijde een ingang heeft. 

Vrijplaats 

Het asielrecht geldt aanvankelijk alleen voor het kerkgebouw. Later omvat het (ook) het 
kerkhof, waar een misdadiger gedurende een zekere periode asiel kan krijgen. Daartoe is het 
kerkhof d.m.v. een omheining, wal of rooster van het kerkterrein afgezonderd. 

Het is voorstelbaar dat de vrijplaats ten oosten van de kerk heeft gelegen, omdat Groneman 
daar een begraafplaats aantreft. Anderzijds ligt deze plaats wel erg dicht bij het koor, het 
liturgisch centrum. Ook het gegeven dat hier de terphelling ligt pleit wellicht tegen een 
vrijplaats op deze plek. Om de laatste reden lijkt ook de zuidkant van de kerk niet geschikt om 
als vrijplaats te dienen. Zou de terp ten noorden van kerk en droge greppel die funktie (66k) 
hebben gehad? 

87 



Royaards 3 noemt naast kerk en kerkhof nog een andere vrijplaats: de montade, zijnde eene vrije 
plaats, dertig schreden in 't rond der kerk, welke omtreh echter soms werd uitgebreid. Of er bij 
de Wolfhezer kerk een dergelijke vrijplaats is geweest is onbekend maar niet waarschijnlijk. 
De montade zou deels samenvallen met het kerkhof, zou de pastorie insluiten en zou over de 
heerwech heen reiken. 

Mededelingenbord 

De kerk wordt ook gebruikt voor de afkondiging van nieuws. Aanvankelijk vooral op het gebied 
van kerkelijke aangelegenheden - inclusief kerkelijke rechtspraak - later ook van officiele 
mededelingen, kerkspraak genaamd. Het nieuws varieert van verkopingen van onroerend 
goed en schouwen van landgoederen tot maatregelen van bestuur en opgelegde straffen. Zo 
laat Karel van Gelder b.v. in de kerken aflezen dat een ieder die op de Veluwe patrijzen of 
konijnen vangt, dit met leven of goed moet bekopen als hij wordt betrapt. Kerkspraak heeft 
plaats voor de aanvang van de dienst 4 . 

Kerkgraf en kerkhof 

De begrafenis van doden in de levensgemeenschap komt voort uit voorchristelijke gebruiken. 
De Germaanse cultuur heeft geen fobie voor de dood. Men wordt in zijn leven veel met ziekte 
geconfronteerd, wordt niet oud (ca. 35 jaar) en heeft een realistische kijk op de dood. De 
nabijheid van voorouders wordt belangrijk geacht en de doden worden in het dorp, in de 
levensgemeenschap begraven. 

De Frankische vorst Pepijn III bepaalt omstreeks 75 1 dat overledenen bij en in de kerk moeten 
worden begraven. Een kerkgraf is duur en het zijn gewoonlijk de geestelijkheid en de adel 
die in de kerk worden begraven en dan zo dicht mogelijk bij de heiligste plek: onder het koor 
waar het altaar staat, omdat men gelooft meer deel te hebben aan de "Heilige Kracht" als men 
dichter bij het altaar ligt. 

De begrafenis gaat gewoonlijk gepaard met veel drank (uitvaert - zuipvaert) en dat is na de 
reformatie niet snel veranderd. 

Onbekend is wie in de kerk zijn begraven, maar het is redelijk te veronderstellen dat de laatste 
Evert Van Wilp hier ligt. Weliswaar zijn daarvoor uit Groneman's onderzoek geen aanwijzingen 
te halen, daar staat het volgende tegenover: 

De familie Van Wilp heeft vanaf 1437 tot in februari 1501 leenrechten gehad op de kerk. 
Onduidelijk is nog of die ononderbroken hebben gegolden en of de familie deze rechten ook 
voor 1437 heeft gehad. De laatste Evert Van Wilp heeft waarschijnlijk vanaf ca. 1460, maar 
in elk geval vanaf 1465 tot in het begin van 1501 rechten op de kerk gehad. Deze Evert heeft 
gedurende tientallen jaren zijn rechten op de kerk binnen zijn familie moeten verdedigen en 
geldend weten te houden 5 . Hij woont op kasteel Rosande, is vrijgezel en heeft een schapenfarm 
in Wolfheze. 

De man "heeft iets" met Wolfheze. Wellicht is hij degene die de crypt heeft laten bouwen. 
Daarvoor is waarschijnlijk Bentheimer zandsteen gebruikt, die vanaf ca. 1450 in zwang raakt. 
Niet onmogelijk is hij ook degene die de landweer bij het Stratius Rondeel en het Rondeel zelf 
heeft aangelegd. 

Ongetwijfeld hebben in de kerk rouwborden gehangen, ook memorieborden genoemd of 
wapenborden als het wapen van de overledene is afgebeeld. 

Boeren en burgers worden buiten de kerk begraven. Hoe dichter bij het gebouw hoe 
belangrijker de overledene in zijn/haar leven is geweest. In Wolfheze vindt Groneman alleen 
geraamteresten aan de oostzijde van de kerk, dichtbij het koor. Het kerkhof is gewijd gebied, 
waar alleen gelovigen en gedoopten kunnen worden begraven. 



Groneman meent dat het kerkhof overvuld is en baseert dat op het feit dat de geraamteresten 
slechts een handbreed onder het oppervlak liggen. Dit veronderstelt dat de doden op elkaar 
- a.h.w. in lagen - zouden zijn begraven, maar hij vermeldt niet of hij dat ook feitelijk heeft 
vastgesteld. De vraag is of "gelaagd begraven" in de Voile en Late Middeleeuwen door de 
kerk wordt geaccepteerd. In Batavia Sacra of Kerrelyke Historie wordt vermeld: Eenige 
ordonantien van den H. Bonifacius: Het is niet geoorlofd den eenen dooden boven op den 
anderen te begraben. 

Niet-gelovigen en ongedoopten worden in ongewijde grond - gewoonlijk ten noorden van de 
kerk - begraven. Groneman heeft er in 1 893 geen onderzoek naar gedaan. 

Leken worden begraven met de voeten oostwaarts, priesters precies andersom. De reden voor 
dit laatste is dat zij op de dag van de wederopstanding alleen maar behoeven op te staan om 
oog in oog te staan met hun mede-opgestane parochianen. 

Groneman maakt geen melding van een skelet met de voeten oostwaarts. 

NOTEN HOOFDSTUK 5 

1. Nolet en Boeren, Kerkelijke Instellingen in de Middeleeuwen. Amsterdam, 1951. 

2. Bijdrage van A. Zijd, getiteld De kerkelijke toestanden in De strijd tusschen de staten van 
Gelderland en het hof 1543 - 1566, pag. 64 e.v. 

3. H.J. Royaards: Geschiedenis van het gevestigde Christendom en de Christelijke kerk in 
Nederland gedurende de Middeleeuwen. Utrecht, 1849. 

4. Wordt nieuws buiten de kerk aan de bevolking gecommuniceerd, b.v. op het dorpsplein of voor 
het raadhuis, dan spreekt men van buurspraak. 

5. Er zijn enkele aanwijzingen dat Evert zelf de oorzaak van de familievetes is geweest in die 
zin dat hij niet tijdig of onvolledig aan zijn leenverplichtingen heeft voldaan resp. de leenheer 
onwelgevallige aktiviteiten heeft ontplooid. 



89 



90 



6. ORGANISATIE EN BEHEER VAN DE KERK 

6.1 LEENHEER, LEENMANNEN 

Op zeker moment voor 1413 heeft de burggraaf van Montfoort de eigendom van de kerk en de 
omliggende gronden verworven en het goed beleend aan huis Van Wijhe. 

• In 1413 behoort de hof tot de bezittingen van Jan Van Wijhe Walravensz. 

• Tussen 1413 en 1437 moet dit bezit zijn overgedragen aan Herman Van Wijhe. 
Mogelijk is dit geschied omstreeks 1420, in welk jaar Jan overlijdt. Jan is gehuwd met El. Van 
Meekeren, erfdochter van Hernen. Het echtpaar heeft twee dochters en hierin ligt wellicht de 
reden dat Jan het goed Wolfheze overdraagt aan Herman Van Wijhe. 

Het is onduidelijk om welke Herman het hier gaat 1 . Er zijn twee "kandidaten": a) Herman I, 

de broer van Walraven (dus de oom van Jan Van Wijhe Walravensz.) of Herman II, de zoon 

van Herman I (de neef van Jan Van Wijhe Walravensz.). De levensdata van beide Hermannen 

zijn onbekend. 

Herman I is de Herman Van Wijhe die eerder in de 1430-er jaren problemen heeft met de 

burggraaf van Montfoort en is dezelfde Herman die in 1432 mit alsulken gueden as Johan sijn 

vader van m.h. to lene gehalden hadde en in 1461 kasteel Hernen in bezit neemt as Johan sijn 

vader, van m.h. to lene gehalden hadde 1 . 

Maar er kan nog een andere Herman Van Wijhe zijn; de stamboom is incompleet. 

De relatie tussen Johan II burggraaf van Montfoort en Herman Van Wijhe raakt verstoord 

doordat laatstgenoemde een verplichting aan de burggraaf ter zake van de hofstat van 

Montfoird niet is nagekomen. De burggraaf eist dat Herman ontzet wordt van de leenweer. 

Op 18 maart 1432 doen zeven leenmannen van Johan uitspraak op deze eis en bepalen - bij 

verstek van Herman - dat de burggraaf het goed in kwestie in voile eigendom kan terugnemen, 

tenzij Herman zich binnen een jaar en zes weken ter verdediging zal aanmelden. 

• Op 26 maart 1437 des Dinxdages na den heyligen Palmdage, doet Herman Van Wijhe - door 
Fruin nader aangeduid als heer tot Herven - het verzoek aan burggraaf Johan Van Montfoort 
om de goederen van Wolffhesen, leenroerig aan de heerlijkheid Montfoirt te belenen aan 
Evert Van Wilp (Evert I). Om welke reden precies Van Wilp als leenman wordt voorgesteld 
is onbekend, maar het gegeven dat zijn moeder een Van Wijhe is heeft er wellicht mee te 
maken 3 . 

De voorgenomen transactie van 1437 tussen Herman Van Wijhe en Evert I stuit op weerstand van 
Reinald Van Homoet, heer van Doorwerth, die beboste gronden bezit in kerspel Wolfheze 4 . 
Het geschil wordt in der minne geschikt: Reinald doet afstand van zijn vermeende rechten en 
geeft daardoor aan Van Wijhe de gelegenheid het goed, het is dan nog 1437, aan Evert I over 
te dragen 5 . 

• Evert I geeft in 1450 hof Wolfheze in lijftocht aan zijn vrouw Elisabeth Van Arnhem; hij 
overlijdt in 1460. 

• Anno 1465. Evert II - zoon van Evert I - heeft leenrechten op het goed Wolfheze en de 
kerkgift van Wolfheze en Heteren. 

Met de giften van de kerk wordt bedoeld het collatierecht: het recht om de kandidaat- 
geestelijke ter benoeming door de bisschop of diens plaatsvervanger (b.v. de aartsdiaken) 
voor te dragen. 

Daarna is hij het leen in elk geval een maal kwijt geraakt. In 1472 of 1477 heeft de RDO de 
hof in bezit. 



91 



• Anno 1472 of 1477: Duitse Orde leent "hofftot Wolfhesen aan Evert van Wylp ritter, te 
weeten een tiend in de Doorweerth, de giften van de kerk te Wolfheesen en Heteren met sijnen 
toebehoren en een hoeve ruig land (sic) in het kerspel te Wilp. 

Vermoedelijk herkrijgt Evert het collatierecht niet in 1472 maar in 1477. In paragraaf 6.4. 
blijkt dat Willem Van Egmond in 1476 het collatierecht heeft van de Heterense kerk. 

• Anno 1492: Reyner Van der Wey, heer tot Hernen. Genoemd wordt de hofftot Wolfheesen. 
Waarschijnlijk een telg uit de tak van Dirk Van Wijhe, zoon van Herman I. Hij wordt in 
1492 beleend met het huis en de heerlijkheid van Hernen en is de laatste Van Wijhe die hof 
Wolfheze in bezit heeft gehad. 

Vermoedelijk heeft Evert niet aan zijn leenverplichtingen voldaan, zoals dat ook kan zijn gebeurd 
met betrekking tot zijn verplichtingen aan St. Pieter. Zoals in hoofdstuk 7 (noot 2) nog aan de orde 
zal komen heeft dit kapittel het halve veer aan de Praats weer in voile eigendom teruggenomen. 

• Onenigheid tussen Evert II en het echtpaar Van Middachten- Van Wilp over de eigendommen 
en bezittingen van Evert leidt op 20 december 1497 tot een Uitspraak tusschen Arend van 
Middachten, ridder, en Bella van Wilp zijne huisvrouw, ter eener, en Evert van Wilp, ridder, 
ter andere zijde, in de geschillen over de uitvoering der huwelijksvoorwaarden 6 van de 
eerstgenoemden gerezen, houdende onder anderen, dat Evert van Wilp afstand zou doen van 
het erfWulfhesen, behoudens de kerkgift aldaar en te Heteren 1 . 

Meer details blijken uit een dokument uit het Archief van de voormalige rekenkamer van 
Gelderland, afdeling Batenburg 8 dat melding maakt van een magescheid op Sint Thomas avont 
Apostel (20 December 1497) tusschen Heer Arent van Middachten Ritter, en diens echtgenoot 
Belye van Wilp aan de eene zijde en heer Evert van Wilp Ridder ter andere zijde, waarbij is 
bededingt, dat Heren Evert van Wilp, Ritter, vorschr. voir on ind voir sijnen erven van stont an 
avergeven ind opdraigen sail Heren Arent, Ritter, ind vrouw Belyen vurschr: ende oire erven 
Wulfhesen mit sijnen getimmere ind alinge toebehoir ind dat te leenrecht ende lantrecht, hand 
ind mondt dar te doen, as sich dat behoirt ind mit enen trop schapen der Heren Evert ende 
den bouman te samen hebben op ten vurs. erve ind alle voer kommer dair van af te doen, 
beheltlicken Heren Evert vursr. die gijfte van der kercken te Wulfhesen ende to Heteren 

Kortom: Evert II draagt per direct het Wolfhezer bezit, inclusief personeel en schapen, over 
aan Arent en Belya, maar behoudt de giften van de kerken van Wolfheze en Heteren. 

• Anno 1499: Evert Van Wilp ritter en Belya Van Middachten. 

Maar spoedig na de overeenkomst van december 1497 zal Evert ook de kerkgiften van 
Wolfheze en Heteren kwijtraken. Dat blijkt uit de hierna te behandelen belening van het goed 
aandeRDOinl501. 

• 18 februari 1501: Johan heer van Montfoort beleent Steven Van Zuylen Van Nyevelt, bij 
opdracht van Belie Van Wilp, weduwe van den ridder Arend Van Middachten, met het goed 
geheyten Wolfhesen mit zijnen getimmer ende toebehoiren , te weeten enen thiende jinden 
Doernweert mit zijnen toebehoiren, die ghifte van twee kercken, te weeten Wolfhesen ende 
Heteren, oick mit alien hueren toebehoiren ende dair toe die halve ruge hove lants, gelegen 
jnden Wilp. Uit dit stuk blijkt dat Steven Van Zuylen 9 de belening niet als prive persoon in 
bezit krijgt, maar tot behoeff vander balyen. Het betreft hier een onversterfflicken eifleen en 
zal bij Steven's dood overgaan op zijn opvolgers als landcommandeur van de RDO. 



92 



In de belening wordt gesproken van een halve ruge hove lants, gelegen jnden kerspell van 
Wilp. Het gaat hier om hoeve in de zin van een oppervlaktemaat: een hoeve land komt overeen 
met 16,5 morgen land of ruim 14 ha. Zo wordt ook de tweede naamval's s aan het eind van lant 
verklaarbaar: een "hoeveelheid" land dat "ruig" is met een oppervlak van ca. 14 ha. 

• Eveneens in februari 1501 is er een lijfrentebrief, groot 17 malder winterrogge, uit de Hof 
te Dieren door Steven Van Zuylen als landcommandeur der Balije gevestigd op Beelie Van 
Wilp, weduwe van Arnt Van Middachten, wegens overdracht door de laatste aan de eerste van 
de leengoederen te Wolfheze. 

Demoed meent dat Steven Van Zuylen het goed in erfpacht heeft uitgegeven, maar dat berust 
op een vergissing. De akte van 1501 laat zien dat Johan Van Montfoort het goed steeds beleent 
aan de landcommandeurs, optredend voor en namens de RDO. Steven behoudt het goed tot 
1527. In dit jaar wordt hij vermoord op zijn huis in Maarssen. 

De landcommandeurs vanaf 1527 tot aan 1624 zijn: 

• Wolter Van Amstel Van Minden in 1529. Anno 1532 krijgt hij het goed dat voertijt heer 
Evert van Wilp te houden placht. Hij overlijdt in 1536. 

• Anno 1537: Aelbert Van Egmondt Van Merestein krijgt het in leen. Hij overlijdt in 1560. 

Blijkens een oorkonde van Johan Stratius van 18 augustus 1545 verkrijgt hij in erfpacht het 
goedt mit alien sinen toebehoren gelijk zij tselve vanden huys van Montfoort. . . . 
Er wordt een regeling getroffen voor de betalingen inzake de pachtsommen inclusief 
de onbetaalde pachtgelden. Opvallend is dat er geen melding wordt gemaakt van de kerk 
te Wolfheze, noch van kerkgiften of collatierechten. Ook de kerk van Heteren wordt niet 
genoemd. Opvallend is ook dat het zegel van Stratius wel erg afwijkt van zijn schild. 

• Franciscus Vander Loe 1560-1579. 

Blijkens een charter uit 1560 treden Peter Van Straten en M. Perez op als mombers van 
Anthonis Stratius, zoon van Johan terzake van de erfpacht van het goed Wolfheze. 

• Jacob Taets Van Amerongen 1579-1612. 

• Dirck de Blois Van Treslong 1612-1619. 

• Jasper Van Lijnden , Heer tot Mussenberg 1619-1 620. 

• Hendrik Casimir, Graaf Van Nassau-Dietz 1620-1640. 

Tijdens zijn bewind verlaat de RDO de katholieke leer om tot de gereformeerde toe te 
treden. 

Pas in het laatste kwart van de 1 T eeuw verleent de RDO landcommandeur het huis Doorwerth 
erfpachtrechten op dat goedt geheeten Wolfheesen. Wegens (vermeend) versuym verliest het 
huis die ook weer. Het gevolg is een langdurige, ingewikkelde affaire tussen Doorwerth en de 
RDO die pas in de eerste helft van de 18 e eeuw ten einde wordt gebracht. 



93 




i^> n J i <l |fri°W*'-CA F*. i— *Ji *£■ ii'-n'--i| J i ' i. iii.. kj 







ihj 









1 1 ^ p.-fT^-" FT— V^V. ■ 



^'A*'-- 



|>J, ■>■*'*?, >^>^_.--. , "lA- ■■•■■•■* ' ■ >4r''■■!■';' ,, ■"' , 

.-U-.J" +r. ■■ --i\-S 1 ,j, k .tl > Ij-ii'y.V.;. I.,--,- m'v^f 

J,ujBnit>* Wl y^.'. Sy, ■ ■■■f w , J 



"■■■.■■ 



'■r. *■?% i. "^ -A 

"~-T Alf^ ■.i,-.f F ..„Ti-,L-. lj L.k.-.'jW*" -Wkfl 
'T.V1 ■ 1 1 fm ■■ } fPJ y-, li n l *"■ 

'''>^k i-.i>^ii..— .■.'.•»j~r^i l i . 4.* -.l/'^-t i^JS, 

^^.'^'^"ur" 3 ^ 5^ "-^" ^- 

,.-,.-n r V-.v T .ij **,, .« _J ^^Jjiy^ J. _. J. J,,». I' -w 



t ■>!>■. ■-■■J-rn in 1 J ^— ^,1™ ^_ ^ j. ^ B> ._?j. 

k i 

i ■ 



— - 



it. .lp.,,; 






CHARTERS BETREFFENDE 

DE VERPACHTING VAN HOF 

WOLFHEZE AAN JOHAN 

STRATIUS EN ZIJN ZOON 

ANTHONIS IN 1545 EN 1560 

Bron: RDO Utrecht. Charters 

877-01 en 877-02. 



94 



6.2. KERKFUNCTIONARISSEN 

PASTOORS 

Aanvankelijk hebben de Wolfhezer pastoors te maken met een dunbevolkte parochie. 
Naarmate de tijd vordert groeit niet alleen het aantal parochianen, maar wordt ook de 
samenstelling van de bevolking anders. Kasteel Doorwerth breidt zich uit in het zuidelijk deel 
van het kerspel en trekt steeds meer bedienden aan, die in of nabij het slot worden gehuisvest. 
De vestiging van het wildforstergoed brengt met zich de komst van het geslacht Van Lawijck 
naar de nederzetting, als ook knechten en bedienden. 

De opeenvolgende pastoors hebben bepaald diplomatieke vaardigheden nodig gehad. Immers, 
zij worden benoemd door het bisdom op voordracht van de leenmannen van de kerk die alien 
hun domicilie elders hebben, maar hebben in hun dagelijkse praktijk niet alleen te maken met 
de "gewone" parochianen maar ook met huis Doorwerth en de Van Lawijcks. En er bestaan niet 
altijd goede relaties tussen al deze betrokkenen. Voorts is daar het gegeven dat pastoors van 
Wolfheze in de 15 e en 16 c eeuw tevens optreden als kapelaan in de kapellen van heerlijkheid 
Doorwerth te Doorwerth en Heelsum. 

In Wolfheze zullen aspirant pastoors aanvankelijk door de kerkeigenaars aan het bisdom 
zijn voorgedragen. Later worden zij door de eigenaars van het collatierecht ter benoeming 
voorgedragen aan bisschop of aartsdiaken 10 . 

Over de Wolfhezer pastoors tot aan het midden van de 15 e eeuw is thans niets bekend. 
Het is niet bij voorbaat uitgesloten dat de kerk onder een privilege een verbinding met 
een klooster heeft gehad, waarbij de monniken de kerk hebben bediend. De monniken van 
Mariendaal hebben deze rol kunnen vervullen. Zij mogen vanaf 1413 de mis opdragen, een 
altaar meevoeren, de biecht afnemen, huwelijken sluiten etc. Het klooster ligt dicht bij de 
heerwech die ook langs de Wolfhezer kerk voert. Ook is het mogelijk dat de RDO de kerk met 
eigen priester-broeders bedient". De geestelijken zouden in geestelijke zaken aan de bisschop 
rapporteren en in andere zaken aan de commandeur 12 . Maar tot nu toe is er geen zekerheid dat 
de orde deze rol ook werkelijk heeft vervuld. 

• De eerstbekende pastoor is Willem Ingenieuwland (Ingenueyland, Ingenylant, Ingenuulant, 
Niewelandt, Nywelant, Niewelandt). Hij is een telg van het geslacht dat het goed Nulandt in 
de buurtschap Lienden onder Elst bezit. 

De man is niet van onbesproken gedrag: hij wordt er van beschuldigd als ordebroeder van de 
RDO en samenwerkend met zijn broer Goderd de RDO commandeur van Schoonhoven uit 
huis en kerk te hebben verdreven en de renten en goederen van de commanderij te hebben 
ingenomen. De kwestie wordt in der minne geschikt door tussenkomst van de bisschop van 
Utrecht en de hertog van Gelre. 

Willem is in de herfst van 1454 betrokken bij de aanslag op de landcommandeur die op weg is 
van Rhenen naar het slot ter Horst en hij zit op dat slot drie maanden in voorarrest. Hij wordt 
tot levenslang en het verlies van het kruis van de orde veroordeeld en wordt gevangen gezet 
op het Daitsche Huis te Utrecht. Op 25 januari 1455 wordt hij bevrijd. Enkele maanden daarna 
wordt hij op omstreden wijze tot landcommandeur gekozen. Willem heeft zich in de RDO veel 
vijanden gemaakt, onder wie de Duitsmeester van de orde. Deze bepaalt dat hij afstand moet 
doen van het landcommandeurschap, staat hem toe op het RDO huis te Doesburg te verblijven 
en geeft hem een jaarlijkse uitkering. Willem belooft al zijn bezittingen te zullen afstaan aan 
de Balije van Utrecht en gaat voor 125 rijnsche guldens als commandeur naar Rhenen. Op 
19-12-1460 verklaart bisschop David Van Bourgondie alle door Willem uitgegeven pachten 
van nul en gener waarde. Willem heeft omstreeks 1452 relaties met leden van het huis Van 
Lawijck. 

95 



Hij wordt tussen 22 maart 1461 en het einde van dat jaar benoemd tot pastoor te Wolfheze en 
Heelsum, waarschijnlijk op voordracht van Evert Van Wilp, heer van Rosande en zijn buurman, 
Johan Van Hemert van huis Doorwerth. In een akte uit 1 46 1 verklaart laatstgenoemde schuldig 
te zijn aan Willem in den Nywelant, pastoor te Wolfheze en Heelsum een oud frans schild 
's jaars voor de smalle tiend van de kerk van Wolfheze en Heelsum. De Oude Geldersche 
Riddercedul 1468 vermeldt - onder de plaatsnaam Driel - Willem en Gaert Ingen Nuwelandt 
als behorende tot die Ritter en Knegten der landen van Gelre 13 . 
Willem overlijdt in 1473. 

• Gysbert van Lynden is pastoor te Helzem voor 1 50 1 l4 . Wordt in 1461 nog gesproken van de 
pastoor van Wolfheze en Heelsum, iets later in de tijd treedt Heelsum op de voorgrond in de 
benaming van de parochie. De kapel te Heelsum moet dan nog worden gebouwd. 

• In 1 5 1 7 wordt Willem van den Kerckhoff pastoor genoemd van Heelsum en Wolfheze en 
in 1519 pastoor te Heelsum. De omkering in de volgorde waarin de plaatsen worden genoemd 
is wellicht een aanwijzing voor de "verplaatsing" van de parochiekerk van Wolfheze naar 
Heelsum en is in elk geval indicatief voor het afnemende belang van de kerk van Wolfheze. 

Volgens Oltmans is van den Kerckhoff aldaar pastoor geweest van 1517 tot aan zijn dood in 
1539. Gedurende een zekere periode tot aan zijn overlijden is hij tevens vicaris van het altaar 
van St. Petrus of Petrus en Paulus van de parochiekerk in Oosterbeek. 

Demoed's visie op de loopbaan van van den Kerckhoff wijkt af van die van Oltmans, maar hij 
is niet consistent. Op pag. 128 zegt hij dat van den Kerckhoff in 1517 en 1519 pastoor is te 
Heelsum en dat tot 1539bleef, op pag. 263 zegt hij: Tot die tijd (1535, W) was Willem Kerkhoff, 
voorheen pastoor van de kerken te Wolfheze en Heelsum (onderstreping door de auteur) en 
toendertijd te Nijmegen, vicaris (van het altaar van St. Petrus en Paulus, Oosterbeek). Van den 
Berg meent dat Willem van Kerckhoff van 1517 tot 1539 pastoor is geweest van Helsum tot 
Wolfhesen. Er zijn ook bronnen die menen dat van Kerckhoff in 1535 van het pastoorschap is 
ontheven en dan naar Nijmegen gaat resp. dat hij in 1539 als pastoor aftreedt. 

• Gerardus Rottum (Rotten, Rossen) pastoor in Heelsum en Wolfheze in 1548. 

• Carel van Schevichaven (Carolo Scewickhoeven) van 1554 of eerder tot 1556 of later. Is hij 
familie van Joachim Van Schevichaven, prior van Mariendaal van 1560-1563? 

• Johan Rutgerss. in elk geval van 1554 tot in 1556. Hij is een beschermeling van de heer 
van Doorwerth, die hem a.h.w. in de kerk van Heelsum parachuteert, terwijl daar Carel 
Van Schevichaven, aangesteld door de bisschop van Utrecht, als priester werkzaam is. Het 
daaruit voortvloeiende geschil wordt in 1556 voorgelegd aan het Hof van Gelre dat de zaak 
doorschuift naar Johan Van Wytenhorst, voogd der unmundige kinderen van den Doorweerdt. 
Deze antwoordt dat het huis Doorwerth veel steun heeft verleend aan de Heelsumse kerk o.a. 
door tot 3 maal toe als de kerk een pastoorsvacature heeft, een priester van de Doorwerthse 
kapel ter beschikking te stellen en dat hij hoopt dat Rutgerss. in de kerk kan aanblijven 15 . De 
afloop van het geschil is onbekend. 

• Oostveen noemt vervolgens Carolus Fremikhoeven als pastoor in Heelsum en Wolfheze in 
1555. Hij bedoelt waarschijnlijk Carolus Scewickhoeven, zie hiervoor. 

• Bekend is nog pastoor Arnt Hendriks. Hij heeft de steun van de katholiek gebleven heer 
van Doorwerth en wordt volgens Van den Berg in 1600 genoemd als pastoor van Heelsum. Hij 
mag op het kasteel wonen, geeft onderwijs aan kinderen en blijft in functie tot aan zijn dood 
in 1606. 



96 



Tot slot nog enkele opmerkingen over de pastoorsvacatures en hoe die zijn vervuld. Er zijn 

(vanaf 1519?) tot in 1556 in elk geval drie vacatures geweest in Heelsum. Deze worden 

vervuld door de kapelaan van Doorwerth, d.w.z. door de priester van de grootste woonkern 

in de parochie. 

Dat werpt de vraag op of er in het gegeven tijdvak in Wolfheze geen kapelaan beschikbaar is 

geweest. 

KOSTERS 

Bekend is dat de kerk omstreeks 1505 een koster heeft, Robert genaamd. Na de aanval van 
de Galioten in 1505 vertrekt hij naar Oosterbeek. De koster heeft een klerikale status en 
wordt aanvankelijk door de pastoor, later door de collator, ter benoeming voorgedragen. Het 
is zijn taak de klok te luiden en te zorgen voor inventaris, liturgisch vaatwerk, gewaden en 
relikwieen. 

6.3. VERMOGEN EN INKOMEN 

De kerk heeft een vermogen waaruit - samen met de opbrengsten van dat vermogen - de 
exploitatie van gebouw en inventaris wordt betaald. De exacte samenstelling ervan is 
onbekend, maar heeft in elk geval omvat een smalle tiend 16 rond 1461, een tiendrecht in de 
Doorwerth rond 1501 en een tiendinkomen in het jaar 1618. 

Uit een akte van 17 april 1645 blijkt dat in Heteren een vicarie tot Wolffheese was gevestigd 17 . 
De tekst luidt: Een parceel bouwlandts, groot omtrent vierdenhalven mergen, genant de 
nieuwe graeff, tot Heteren in den ample van Overbetuwen gelegen, daer oostwartt de pastorie 
van Heteren naest gelant is ende de vicarie tot Wolffheese, zuytwartt st. Agneten clooster tot 
Arnhem, westwartt hetselve clooster ende Willem van Settens erffgenamen, ende noortwart 
Jan Jacobs erff; nevens noch een hoffstedeken landt mettet bepaet daerop staende, ooc tot 
Heteren an den dick in sijnne bepalunge gelegen, ten Zutphensen rechten tot een besonder 

leen ontfangen bij 

Hiermee wordt ene N. van de Wartt op de genoemde datum beleend. 

Onbekend is hoe precies de Wolfhezer pastoors aan de kost zijn gekomen. 
Tot hun inkomsten hebben ongetwijfeld behoord de vrijwillige bijdragen die kerkgangers op 
zon- en feestdagen op het altaar leggen en mogelijk de exploitatie van een boerenbedoeninkje. 
Vaak ook wordt de pastorie om niet ter beschikking van de pastoor gesteld. 

Heldring treft in het begin van de 1840-er jaren een akker midden in de hei aan, die zeer smal 
en niet lang is, en aan welks einde twee eiken boomen staan. Deze akker alleen behoort aan 
het domkapittel van Utrecht, terwijl al het overige land uren ver in de omtrek, het eigendom 
is van de Baron van Brakel, thans eigenaar van den Doorwerth. De Ridder toont een foto 
van een van de eiken en noemt die de "Domboom", naar de Utrechtse kerk. Het is denkbaar 
dat de akker een schenking is van het bisdom of van de eigenaar of bezitter, bedoeld voor het 
levensonderhoud van de pastoor. De akker ligt ca. 60 m ten westen van de kerk. 

Over het inkomen van de kerk te Heelsum is het volgende bekend: tienden uit de Seelbeker 
enk, de St. Jan's enk en een tiend uit de enk van Gaert van Geyn. Tot het vermogen heeft 
behoord een heg - het kercken hegxken - nabij de Doorwerthse kapel. 

Johan Rutgerss. onvangt voor zijn pastoorschap in Heelsum omstreeks 1555 omtrent 
ongefeerlicken VIII molder roggen jaerlick incommende. 



97 



6.4. DOCHTERKERK 

De Wolfhezer kerk heeft gedurende een zekere tijd een dochterkerk gehad in Heteren 18 . 
Er is weinig bekend over deze kerk. Het betreft hier hoogstwaarschijnlijk een tufstenen kerkje 
uit de 12 e eeuw, mogelijk voorafgegaan door een kapel. Het is evenals kasteel Doorwerth en 
de kerk van Oosterbeek "buitendijks" gebouwd - als er al een dijk was - en moet bij hoge 
waterstanden vaak zijn bereikt door de Rijn of door kruiend ijs in strenge winters". 

Een oorkonde van 4 juli 1292 zegt: Rudolf en HendrikKoc, gebroeders, verzoeken het kapittel 
van St. Marie te Utrecht, om den houder dezes, heer Godefrid, met de kerk van Heteren te 
begiftigen 2 " . De gebroeders hebben het patronaatsrecht waarschijnlijk in leen van het kapittel 
van St. Marie, dat het op zijn beurt in leen heeft van de bisschop. De familie Koc (Coc, Coquus) 
is actief in het huidige Limburg en Noord Brabant, als ook in het Gelderse rivierengebied. 
Hendrik Koc is waarschijnlijk schout te Oyen. 

Van 18 april 1310 dateerthet volgende archiefstuk: Giselbertus de Iselsteyne, ridder, verklaart, 
dat (de) bisschop op zijn verzoek de kerk van Heteren, waarvan het collatierecht aan deken 
en kapittel van S. Marie toekwam, met hun toestemming naar Iselsteyne heeft overgebracht en 
dat hij, om de rechten van deken en kapittel te beschermen, hun den grond van kerk en kerkhof 
in eigendom heeft afgestaan en verzoekt (de) bisschop deze verklaring mede te bezegelen 11 . 

Giselbertus is Gijsbert van Amstel, ridder, beleend met Ysselstein. Hij is omstreeks 1280 
gehuwd met Bertha van Heukelom en heeft vier kinderen, van wie Jan kanunnik te Utrecht 
is en thesaurier van St. Marie te Utrecht. Hij overlijdt tussen 9 mei en 2 oktober 1342. 

Rond 1382 wordt Dire van Heteren beleend met de olde Hofstad tot Heteren, met de tienden, 
groff en smal, mit heuren toebehoren ende mit de kerkgift tot Heteren, gelegen in Over- 
Betuwe 11 . Als zijn zoon Dire van Heteren de belening al overneemt - op 13 maart 1410 - dan 
zal deze na diens dood voor 21 September 1420 overgaan op zijn zuster Geertruyt, vrouw van 
Segers van Groesbeck. 

Op 6 april 1476verpandt Wyllem, heertotEgmontenBaeraanJasparvanBlitterswicko.li.de 

kloktienden te Heteren, met voorbehoud van de kerkgift van Hyen en van Heteren 

Blijkbaar is - en blijft - Willem van Egmond eigenaar van het collatierecht te Heteren 23 . 
Niet onmogelijk raakt hij het collatierecht van de Heterense kerk in 1477 kwijt aan Evert Van 
Wilp. Willem is de broer van hertog Arnold van Gelre. 

Op 21 augustus 1543 beklaagt Oswald graaf Van den Bergh zich bij de stad Arnhem over 
schending van zijn collatierecht te Heteren 24 . Van Schilfgaarde meent echter dat dit recht 
schijnt .... niet op een deugdelijken grondslag gerust te hebben 1 *. Medio 17 e eeuw heeft de 
Heterense predikant Ds. Noorman hierover met succes geprocedeerd tegen huis Bergh. 

In 1494 wordt een klok opgehangen die in de toren is gegoten 26 . Van de kerk bestaat thans 
alleen nog de toren. 

Aan de kerk is de naam van Willibrord verbonden. 



98 






Heteren 



"2. £ 




DE KERK VAN HETEREN 

De kerk dateert uit de 1 1° eeuw, stond aanvankelijk buitendijks en is in 1834 deels ingestort. 

Thans bestaat alleen nog de toren. De afbeelding toont de kerk in 1756. 

Bron: Nieuwsbrief Historische Kring Kesteren e.o., augustus 2002, pag. 1 1 e.v. 

Waarom nu zou deze kerk een dochterkerk van de parochie Wolfheze zijn? 

Bij de kerkelijke indeling worden de Betuwe-plaatsen Driel, Heteren, Randwijk en Opheusden 
organisatorisch onder de Veluwe gebracht. 

Beelaerts van Blokland geeft daarvoor de volgende verklaring: de hooge Veluwezoom 

vroeger bewoond is geweest en de oudste kerken aan die zijde hebben gestaan, terwijl de 
overzijde der rivier te dezer plaatse oorspronkelijk slechts op enkele hooger gelegen gedeelten 
geschikte woonsteden bood. Hetgebied der kerken op den Veluwezoom strekte zich aanvankelijk 
dientengevolge uit ook over den zeer spaarzamelijk bewoonden overkant. Tengevolge van 
steeds verder doorgevoerde bedijkingen en verbetering der afwatering is de linker Rijnoever 
echter meer en meer bewoonbaar geworden en zijn daar op den duur kerken gesticht naar 
gelang der behoefte. Aangezien de moederkerken dezer nieuwe parochien tot het dekanaat van 
de Veluwe behoorden, bleven hare Betuwsche dochters onder hetzelfde kerkelijk verband 11 . 

Van de Westeringh bevestigt deze visie onder toevoeging van lokale landschappelijke 
ontwikkelingen in de Middeleeuwen. 



99 



In zijn brief van 24 februari 2007 aan de auteur schrijft hij o.a. Wat betreft de Middeleeuwse 
ligging van Heteren en andere Rijndorpen en de kerkelijke relatie tot de Veluwse parochies 
het volgende. Voor de bedijking —gesloten bedijking in de 14 de eeuw — was de rivier veel 
minder een natuurlijke hindemis dan de komgronden c.q. het "broek" gebied daar achter (= 
ten zuiden van de Noord-Betuwse oeverwal of stroomruggronden) . De Rijn werd steeds minder 
een "echte " rivier, omdat de Waal steeds meer in belangrijkheid toenam. De Rijn verzandde 

ook steeds meer Het natuurlijke landschap van de komgronden, later de "broeken ", 

was zeker voor de bedijking maar ook eeuwen daarna voordat de ont- en afwatering goed 
geregeld was, een nat gebied met veel wateroverlast en slappe, nog niet gerijpte gronden 
en een lastige begroeiing. Dat na de totstandkoming van een gesloten bedijking rond de 
Betuwe de kerken/parochies die al op de hogere Betuwse oeverwallen van de Rijn gesticht 
waren, zelfstandig konden worden, los van de Veluwe, is op grond van het ontstaan van het 
bedijkte rivierkleilandschap niet onlogisch. De bewoonbaarheid en begaanbaarheid nam na 
de bedijking en de daarop volgende verbetering van de (binnendijkse) ont- en afwatering 
steeds verder toe. De "broeken " (moerasbos of kreupelhout) werden "velden " (open gebieden 
met veel grasland, eerst vooral hooilanden, later ook weilanden). De Rijn is een gemakkelijk 
neembare barriere: met een bootje kon de steeds verder verzandende Rijn gemakkelijk 
overgestoken worden, vergelijkbaar met Oosterbeek-Driel. 

Tot hoe lang precies deze kerkelijke indeling heeft geduurd is niet geheel duidelijk. De 
mening van Van de Westeringh is dat door de gesloten bedijking in de 14 e eeuw rond de 
Betuwe de kerken aldaar zelfstandig van de Veluwe konden worden. Dit lijkt strijdig met twee 
archiefstukken waarin Driel, Heteren, Randwijk en Opheusden tot in 1554/5 tot de Veluwe (In 
decanatu Velue) worden gerekend 28 . 

Wellicht zijn de dochterkerken in deze plaatsen na de bedijking tot zelfstandige parochiekerken 
"opgewaardeerd" - in een archiefstuk van 13 September 1406 behelzende de overdracht van 
41 morgen land wordt gesproken over kerspel Heteren - maar zijn zij als zodanig tot aan de 
reformatie onder de Veluwe blijven ressorteren. 

Zoals elders in dit werk is beschreven is het in elk geval vanaf medio 13 e eeuw tot in het laatste 
kwart van de 16 e eeuw verboden geweest handelsgoederen over de Rijn te vervoeren tussen 
Westervoort en Opheusden. Natuurlijk zijn er wel veerponten op dit traject geweest, maar die 
zijn vooral of uitsluitend gebruikt voor het vervoer van personen. Te Meinerswijk, Oosterbeek, 
Heteren en Randwijk, mogen de inwoners tegen betaling van cijns het schip houden om te 
kercken mede te vairen d.w.z. om vanuit de Betuwe naar de parochiekerken op de Veluwe te 
gaan. In de genoemde plaatsen heet het veerpont dan ook kerkschip. 

Bekend is dat de Opheusdener kerk onder die van Wageningen heeft geressorteerd. De 
buurtschap Driel heeft volgens Demoed tot ca. 1470 aan Oosterbeek behoord; volgens Nolet 
en Boeren vormt de parochie Driel sinds 1464 een afzonderlijk dekenaat 29 . Heeringa meent 
dat Driel omstreeks het midden van de 16 e eeuw nog tot de Veluwe heeft behoord 30 . 

Het is dan logisch te veronderstellen dat Heteren volgens dezelfde regeling tot parochie 
Wolfheze zal zijn gerekend en Randwijk tot kerspel Renkum. Een verdere aanwijzing 
daarvoor is dat de parochies van Wolfheze en Renkum in het zuiden grotendeels grenzen aan 
de kerspels van resp. Heteren en Randwijk. 

Het definitieve bewijs van de moeder-dochter relatie tussen de Wolfhezer kerk en die van 
Heteren blijkt uit een charter uit 1509, waarin staat dat de landcommandeur van de RDO de 
klerk Bruno Henricksz. presenteert als pastoor der parochiekerk te Heteren, waarvan de kerk 
te Wolfheze de moederkerk is, ter institutie aan de proost van St. Pieter te Utrecht 31 . 



100 




DE TOREN VAN DE KERK TE HETEREN ANNO 2008 

6.5. KAPELLEN 

Voor zover thans bekend zijn in het kerspel Wolfheze twee kapellen ontstaan, de een in het 

eerste kwart van de 15 e eeuw in Doorwerth, de andere ca. 100 jaar later in Heelsum. 

In beide gevallen is het initiatief uitgegaan van het huis Doorwerth. 

In beide gevallen ook maakt Doorwerth gebruik van de pastoor van Wolfheze. 

Het is allerminst zo dat de parochie door autonome groei zou zijn genoodzaakt tot de bouw 
van kapellen. Een kerkelijke reorganisatie ligt er aan ten grondslag. 

Zowel in Doorwerth als in Heelsum treedt de Wolfhezer pastoor op als deeltijd kapelaan. 
Kapel en kapelaan vallen gewoonlijk onder het gezag van de pastoor van de parochie, waarin 
de kapel is gevestigd; de kapelaan is niet gerechtigd tot zielzorg. Hier lijkt sprake van een 
mengvorm die zowel voor de kasteelheer als voor het bisdom aantrekkelijke kanten heeft: het 
bisdom houdt via de pastoor "grip" op huis Doorwerth en de kapel van huis Doorwerth krijgt 
een hoger aanzien nu de parochiepastoor er "optreedt". 

Schijnbaar valt de baan van parochiepastoor van Wolfheze qua zwaarte te combineren met die 
van kasteelkapelaan in Doorwerth. 

De eerste kapel, gebouwd omstreeks 1425, wordt voorafgegaan door een "gezinskapel". 
Omstreeks 1 4 1 32 geeft de Utrechtse bisschop Frederik III Van Blankenheim toestemming aan 
Robert Van Doorwerth en zijn vrouw Jutte Van Asperen om in hunne woning de mis te doen 
opdragen op een draagbaar altaar en de mis, die in eene met het interdict getroffen kerk met 
gesloten deuren wordt opgedragen bij te wonen 33 . Ook krijgt het echtpaar vergunning om voor 
de tijd van een jaar een priester tot biechtvader aan te stellen 34 . 



101 



Uit een dokument van 1461 dat later nog aan de orde zal komen, blijkt dat de pastoor van 
Wolfheze reeds enige tijd de diensten leidt in de kapel van de heer van Doorwerth. De Stichting 
Vrienden der Geldersche Kasteelen meent dat de diensten vanaf het begin zijn geleid door 
de pastoor van Wolfheze 35 . Het bisschoppelijke fiat tot vestiging van de gezinskapel is aan 
zekere beperkingen onderhevig en lijkt gericht op het gemak voor de kasteelheer en zijn gezin, 
want de dienst kan alleen door hen worden bijgewoond. Er moet een draagbaar altaar zijn, de 
biechtvergunning geldt voor een jaar. De doop kan er blijkbaar niet worden bediend. Het huis 
Doorwerth verwerft zich steeds meer macht en als gevolg daarvan komen er in de nabijheid 
van het kasteel steeds meer personeelswoningen. Wellicht leidt deze ontwikkeling ertoe dat de 
heer van Doorwerth omstreeks 1425 een kapel laat bouwen. 

Een andere theorie: In 1421 voert de Utrechtse bisschop Frederik Van Blankenheim oorlog 
tegen Reinoud van Gelre, leenheer van de Doorwerth en neemt tijdens zijn veldtocht op 
de Veluwe Ridder Hendrik Van Homoet van Doorwerth gevangen in Arnhem 36 . Het is niet 
denkbeeldig dat Hendrik, wanneer hij in 1426 heer van Doorwerth wordt, bij wijze van 
revanche overgaat tot de bouw van zijn eigen kapel 37 . 

De kapel is van steen, vrij groot, > 30 m 2 38 en wordt gebouwd op de plek die als Kapelleboom 
bekend zou worden, aan de kruising van de Oosterbeekseweg en de weg naar de capelle, nu 
de Holle Weg. 

In de eerste helft van de 15 e eeuw ligt deze locatie centraal ten opzichte van de Seelbeekhof in 
het oosten, de buurtschap Heelsum in het westen 39 en de nederzetting Wolfheze in het noorden. 
De afstand van de kapel tot elk van deze drie kernen is ca. 2,5 km hemelsbreed. Kasteel 
Doorwerth ligt op bijna 1 km hemelsbreed afstand ten zuiden van de kapel. De kapel ligt 
welhaast zeker juist ten zuiden van de noordgrens van de heerlijkheid. 

Volgens Laman Trip raakt de Doorwerthse kapel na de bouw van de kapel in Heelsum in 
verval en worden er geen diensten meer in gehouden. Maar Oltmans en Demoed menen dat 
de kapel omstreeks 1517 tot parochiekerk wordt verheven. Van den Berg zegt dat de kapel en 
dus ook de nieuw gebouwde kerk tot parochiekerk was verheven. De al genoemde Johan Van 
Wytenhorst, schrijft in 1556 dat de kapel .... van den van Doorweert een priester daermit 
begyfticht worden. 

Ook is bekend dat Walraven Van Haefften, weduwe van Frederick heer van Doorwerth, in 
1534 betaalt aan heer Henrick, cappellain, eenjaer loens ad XX Horns gulden v. VIII golden 
gulden. In 1536 betaalt zij in den yersten averkommen mitten cappellain heer Henrick omb die 

missen te doen VI Horns gulden v. II golden gulden XII st over den jaere XXXV durende 

tot XXXVI, anno uno revoluto* . 

Uit het al genoemde dokument uit 1461 blijkt dat de pastoor van Wolfheze ook de diensten 
zal leiden in deze kapel. Johan heer van Hemert, ridder, en zijn vrouw Sophie Van Bylant 
erkennen erin schuldig te zijn aan Willem in de Niewelandt pastoor tot Wolfhesen ende tot 
Helsom, ofte die in der tiit daer pastoor waer, van der smaelre tienden der kercken voors. 
van vlas, was, byen ende van schapen ende al dat daertoe behoren mach, jaerlix enen alden 
Vrancr. schilt, te betalen allejaer tot S. Peternellen dach mit gueden payement etc. ende den 
tienden van den koren sal die pastoor voors. gebruicken als hy plach ten tyden Reynolts van 
Homoet, den Gode in genade heeft. Ten aanzien van de duur van de overeenkomst verklaren 
zij: ende desen pacht sal staen ende dueren also lange als wy tsamenlycke ofte een van ons 
bey den den Doorweerde besitten 



102 



Niet bekend is of dit document de eerste overeenkomst is tussen de heer van Doorwerth en 
de Wolfhezer pastoor. Tot aan 1461 zijn er wellicht mondelinge overeenkomsten geweest. 
Reynolt overlijdt in 1459 en zijn weduwe Sophie trouwt daarna met Johan Van Hemert. Deze 
wordt hulder als de kinderen van Reynolt met den Dorenweert worden beleend en het lijkt 
alsof hij de "pastoorkwestie" wil formaliseren. Vermoedelijk wordt de kapel in het midden 
van de 17 e eeuw gesloopt. 

De Heelsumse kapel wordt gebouwd in de jaren 1517, 1518 en 1519. Het is niet waarschijnlijk 
dat er voor 1 5 1 7 ter plekke een houten kapel is geweest. De eerste steen wordt in 1517 gelegd 
door joncker Frederick van Voorst, heer te Doorwert en dat geschiedt des Dinxdaechs voor 
Sinte Geertruiden dach, der Jofferen rein en in 1519 sloech Mr. Willem van Kerckhoff, pastoor 
tot Heelsum, hyer boven dat hooch altaer den eersten ley. De kapel wordt gebouwd tott geriff 
van den Doorenweertsche ondersaten, doordien d'andere nabueren, daeromtrent wonende, 
mitt die kercken tott Oosterbeeck, Wolfhesen ende Rencom genochsaem waren geriif. 




HET KERKJE TE HEELSUM 

Aanvankelijk is er geen toren en dat klopt met het gegeven dat de kerk als kapel is begonnen. 
J.G.A. Van Hogerlinden te Arnhem beargumenteert in een brief van 1 februari 1944 41 dat de 
toren in 1678 is gebouwd. Ook een artikel in Hoog en Laag van 07-12-1988 gaat er van uit dat 
1678 het bouwjaar is van de toren. De kapel is dan al lang tot kerk verheven. 

In 1937 wordt op de toren een dakruiter - een herder met staf en twee lammetjes - 

aangetroffen. 

Dat is vreemd, want het is niet gebruikelijk om ruiters te plaatsen op een parochiekerk. De 

ruiter draagt het jaartal 1678 en de letters W.D. Dit leidt tot de gedachte dat de ruiter afkomstig 

kan zijn van de Doorwerthse kapel en dat de letters de initialen zijn van Wolter Dornick, heer 

van Doorwerth tussen 1412 en 1419. Het is dan logisch te veronderstellen dat de Doorwerthse 

kapel tussen deze beide jaren zou zijn gebouwd. 

6.6. BISDOM UTRECHT EN GEREFORMEERDE CLASSIS 

De Wolfhezer kerk heeft vanaf het begin in de Voile Middeleeuwen tot aan het einde in 1624 
binnen het bisdom Utrecht gelegen. De Veluwe ressorteert in 1238 onder het aartsdiaconaat 
van St. Pieter in Utrecht 42 . Het bisdom krijgt in de Middeleeuwen een grote omvang met 
vaste grenzen die tot 1559 blijven bestaan. In dit jaar wordt door Paus Paulus IV - met de 
al genoemde bul Super universas orbis ecclesias van 12 mei - een kerkelijke herindeling 



103 



voorgesteld 43 . Deze zal door de komst van de reformatie niet lang van praktisch belang zijn. 
Wolfheze resp. de parochie Heelsum/Wolfheze blijft behoren tot het bisdom Utrecht. Het 
bisdom Utrecht wordt in 1559 tot aartsbisdom verheven. 

Op de gereformeerde synode van Harderwijk in mei 1580 wordt Gelderland ingedeeld in 6 
classes. De zuidelijke en zuidoostelijke Veluwezoom vallen in de classis Over-Veluwe, Ring 
Arnhem. De heerlijkheid Doorwerth valt daar ook onder, maar het huis Doorwerth is zich in 
zijn territoir nog lang tegen de komst van de nieuwe leer blijven verzetten 44 . 
Op de synode te Arnhem van 1593 wordt besloten: Die synode heeft goetgeacht dat het Hoof 
door Sijn authoriteit die pastoren in particidiere heerlicheden als Dorenweerde, Isendoorn 
in ordine dirigere. 



NOTEN HOOFDSTUK 6 

1. De Navorscherjrg. 26, 1876, pag. 523; BijdragenenMededelingen 1954, pag. 42; Fruinmeent 
dat Herman een oom heeft die Allard heet. Is dit korrekt of is Allard een neef van Herman? 
Overigens, de Sonnenberg is van voor 1 428 tot 1 489 in bezit geweest van Hendrik en Johan Van 
Wijhe resp. oomzegger van Herman I en neef van Herman II. Johan heeft in 1408 een Seelbeek- 
hoeve gepacht voor de duur van een jaar. 

2. Die Lehnregister des Herzogtums Kleve, Band 8, 1974. 

3. Maar zij is nog niet getraceerd in de Van Wijhe stamboom. 

4. Zie Register op de Leenakten Boeken Kwartier Arnhem. Uitg. S. Gouda Quint, Arnhem. 

5. Reinald's dochter Maria trouwt later met Sweder Van Montfoort, broer van burggraaf Hendrik 
IV Van Montfoort. 

6. Deze dateren van 13-09-1465. 

7. Gedenkwaardigheden uit de Geschiedenis van Gelderland. Deel 6(1) Uitg. I. A. Nijhoff & Zn, 
Arnhem 1859. 

8. Vermoedelijk komt dit dokument in het archief van de afdeling Batenburg terecht, doordat 
Philips I, nadat hij o.a. Arnhem in 1505 heeft veroverd, het slot Rosande aan Diederick Van 
Bronkhorst en Batenburg geeft; deze zal het stuk in het slot hebben aangetroffen. 

9. Hij is sinds 12 maart 1509 raad van hertog Karel van Gelre. 

10. In de praktijk geldt dat een voordracht ter benoeming vrijwel altijd door het bisdom wordt 
gehonoreerd. 

11. Dit is mogelijk sinds 1237 als paus Gregorius IX de orde een algemeen privilege geeft om de 
kerken waarover hij het patronaatsrecht heeft door eigen priester-broeders te laten bedienen. 

12. R.R. Post. Eigenkerken en bisschoppelijk gezag in het diocees Utrecht tot de XHIe eeuw; Uitg. 
1928. 

13. Bronnen: Pruyscher saken Utrechtse Duitse Orde-ridders en Pruisen in Niederlander im 
Ostseeraum und der Deutsche Orden. Op de ceduullijst wordt onder Elst vermeld Johan Ingen 
Nuwelandt. In "De ambtman in het kwartier van Nijmegen (ca. 1250-1543)" van J. Kuys komt 
voor Ernst Ingen Nulant. Andere aanduidingen voor ambtman zijn richter, burggraaf, (land) 
drost, scholtus. 

14. De archieven der gasthuizen en fundatien, gilden, schutterijen en vendels, pag. 331. D.P.M. 
Graswinckel. 

15. Meer details ter zake in Hoog en Laag van 13-05-1998, pag. 19. 

16. Uit 1461 dateert een bekentenis van Johan, heer tot Hemert, die erkent schuldig te zijn aan 
Willem in den Nyewelant, pastoor te Wolfheze en Heelsum, een oud frans schild 's jaars voor 
de smalle tiend van de kerk van Wolfheze en Heelsum. 

17. Register Leenaktenboeken vorstendom Gelre en graafschap Zutphen, Kwartier van Nijmegen, 
pag. 144 e.v. 

18. Er is in de 14" eeuw een buerscop toe Hetere, ook wel Heeten (diverse schrijfwijzen) in de 
parochie van Raalte, maar hier gaat het om de kerk in het Betuwse Heteren. Dit Heteren wordt 
voor het eerst genoemd in 1232: Insula de Hetere. 

104 



19. Duizendjaar weer, wind en water in de Lage Landen. J. Buisman, ISBN 90.5 194-141. 

20. Regesten van oorkonden betreffende het Sticht Utrecht deel 2 (694-1301). G. Bron, Utrecht 
1908. 

21. Regesten van oorkonden betreffende de bisschoppen van Utrecht uit de jaren 1301-1340. J.W. 
Berkelbach van der Sprenkel. 

22. Stichtsche, Gaasbeeksche en Overijsselsche Leenen gelegen in Gelderland. Uitg. Ver. Gelre 
1907. 

Op grond van dit archiefstuk en van wat bekend is over de kerkgiften van de Van Wilps kan een 
tentatieve lijst van bezitters worden opgesteld: 1382-1420: Dire van Heteren en zoon Dire van 
Heteren. 1420-1457: Geertruyt van Groesbeek-Van Heteren, zus van Dire; Griete Van Ewijk- 
Van Boeningen, dochter van Geertruyt. 1465: Evert (II) Van Wilp. 1476: Willem tot Egmont 
en Baer. 1472/1477: Evert Van Wilp. 1490: Jelis van Ewijk, zoon van Griete. (1492: Reyner 
van der Wey?) ??: Johan van Lawijck, kleinzoon van de eerste Wolfhezer wildforster. 1497: 
Evert Van Wilp. <1501: Belya Van Middachten-Van Wilp. 1501: RDO. 1507-1532: Aleid Van 
Lawijck, zus van Johan. 1532-1557: Familie Van Muylecom, schoonfamilie van Aleid. 1557- 
1597: Belya van Steprade en haar dochter Josina Van Sallant-Van Steprade. Hier wordt de lijst 
beeindigd; de reformatie zal Heteren tegen het einde van de 16" eeuw zeker hebben bereikt. 

23. Het archief van het huis Bergh. Regestenlijst l e deel. Van Schilfgaarde. 

24. Inventaris van het oud archief der gemeente Arnhem. P. Nijhoff 1864. 

25. Het archief van het huis Bergh, Inleiding. 

26. Bijdragen en Mededelingen, dl 54, 1954. 

27. Bijdragen en Mededelingen, dl 28, 1925. Bijdragen en Mededelingen 1983, pag. 21 e.v. 
Bijdragen en Mededelingen 1985, pag. 9. Ach lieve tijd, 750 jaar Arnhem, de Arnhemmers en 
de Rijn, deel 3, pag. 61. 

28. Rekeningen van het bisdom Utrecht 1378-1573 van K. Heeringa, pagina's 180 en 340. Zie ook 
Bijdragen en Mededelingen dl 28, pag. 55. 

29. Kerkelijke Instellingen in de Middeleeuwen. 

30. Zie 28. 

31. Charter, RDO 324 

32. Demoed noemt het jaar 1415, maar dan is Robert al overleden. 

33. Een interdict is een kerkelijk verbod om in een bepaald gebied of een zekere gemeenschap 
kerkelijke diensten te houden, sacramenten toe te dienen en kerkelijk te begraven. 

34. Het komt wel meer voor dat de kerkelijke autoriteiten toestemming geven aan hooggeplaatste 
huizen een eigen kapel in te richten. Zo verleent bisschop Frederik in 1394 toestemming aan 
ridder Wynandus Van Arnhem, Elizabeth, zijn vrouw en Theodericus, zijn zoon, om voor de 
tijd van een jaar een priester tot biechtvader te kiezen, in hun woning op een draagbaar altaar 
de mis te doen opdragen en in kerken, die met het interdict zijn getroffen, de mis met gesloten 
deuren bij te wonen. 

35. Kasteel Doorwerth, 4 e druk, 1998, pag. 3. 

36. De tocht heeft plaats juist na de oogsttijd. Zijn troepenmacht bestaat uit 600 knechten en 500 
ruiters. In Renkum verwoest hij enkele hutten en trekt dan door naar Arnhem. Bron Geldersche 
Geschiedenissen, Boek VIII, A. Van Slichtenhorst. Onderweg van Renkum naar Arnhem 
passeert de bisschop de nederzetting Wolfheze. 

37. Hendrik is heer van Doorwerth van 1426 tot 1430; hij overlijdt na 1433. De Historische 
Vereniging "Oud-Wageningen" meldt op de site Geschiedenis Wageningen in jaartallen: 1422 
Frederik Blankenheim, bisschop van Utrecht, overweldigt Wageningen onverwacht tijdens de 
grote feestdag van St. Maarten. Bevelhebber Ridder Hendrik Van Homoet sneuvelt met 800 
anderen. Download mei 2004. 

38. H.R.A. Laman Trip: Een oud bouwwerk teruggevonden, Gelre 's Bijdragen en Mededelingen, 
deel 27, 1924, pag. 12 en 13. 

39. Het centrum van de buurtschap lag rondom de plaats waar nu het N.H. kerkje staat, in de 
noordwest hoek van de kruising A50/N225. 



105 



40. Kapelaan Henrick heet voluit Hendrick Vaigts van Gladbach. Niet onmogelijk was hij kapelaan 
te Heelsum. 

4 1 . Gelders Archief volgnr. ADC 344: 1 . 

42. Het oude bisdom Utrecht is verdeeld in aartsdiakonaten of proostdijen, o.a. H. Martinus, St. 
Salvator, St. Jan, O.L. Vrouwe, St. Peter, Arnhem, Oldenzaal, Deventer, Arnhem. 

43. Deze bul wordt op 10 maart 1560-1561 in meer gedetailleerde vorm uitgevoerd door Paus Pius 
IV d.m.v. de bulla limitum. Deze paus laat de jaartelling beginnen op 25 maart. 

44. W.H. Vroom: De financiering van de kathedraalbouw in de Middeleeuwen, ISBN 90-6179-047- 
6; A.G. Schulte: Kerken in Gelderland, ISBN 90 601 1 959 2. 



106 



7. BETEKENIS VAN HET DORP 

7.1. INLEIDING 

Veelal onderscheidt een buurtschap, dorp of stad zich van andere gemeenschappen door de 
vervulling van een specifieke taak of activiteit. 

Zijn dorp en inwoners van Wolfheze in het voorafgaande beschreven, daarin is niet aan de 
orde geweest welke betekenis het dorp heeft gehad voor de regio. Evenmin is iets gezegd over 
de economische situatie van de dorpelingen. 

Helaas zijn deze aspecten niet specifiek te beantwoorden bij gebrek aan informatie. 
We moeten het dus doen met redeneringen en beredeneerde veronderstellingen. 

7.2. AKKERBOUW, VEETEELT, HUISVLIJT, HANDEL 

De nederzetting lijkt niet voortdurend en alleen een kwijnend bestaan te hebben geleid. Die 
indruk kan gemakkelijk ontstaan doordat de kerk van Wolfheze aftakelt naarmate de archieven 
uitgebreider en beter worden. 

Allereerst een opsomming van enkele aanwijzingen van een min of meer bloeiende 
gemeenschap ooit: 

• Een relatief grote, zelfstandige parochiekerk met een toren die misschien tegelijk met de 
bouw van de kerk, maar in elk geval relatief snel na de oplevering ervan resp. voor 1390 - lang 
voordat b.v. Oosterbeek een toren krijgt - van een toren wordt voorzien 1 . 

• De bevolking van het dorp en van de parochie heeft in de regio een bovenmodale positie 
gehad. 

• Sedert 1366 heeft het wildforstergoed bijgedragen aan de ontwikkeling van dorp en regio. 
Maar of de kerk in gelijke mate ervan heeft geprofiteerd is de vraag. De hoeve van het goed 
heeft steeds of lange tijd in het kerspel Oosterbeek gelegen, zij het aan de grens met parochie 
Wolfheze en op nog geen kwartier loopafstand van de Wolfhezer kerk. 

• Uit de studie van Groneman blijkt dat de kerk een crypt heeft gehad, geschilderde ramen en 
een leien dak. Dit zijn vrij kostbare voorzieningen, maar niet per se tekenen van een florerende 
gemeenschap: ze kunnen zijn getroffen door en/of voor de eigenaar of bezitter van de kerk. 
Anderzijds: zouden ze zijn aangebracht als de kerk onbeduidend was geweest of in verval? 

• Het gegeven dat een relatief hoog aantal mensen in de kerk is begraven - in 1 893 zijn 
resten van 7 mensen binnen de fundamenten aangetroffen - behoeft op zich genomen niet te 
betekenen dat het dorp een bloeiende gemeenschap zou zijn geweest: er zullen ook doden uit 
andere delen van de parochie zijn begraven. Maar ook hier geldt: was de kerk zonder enige 
aanzien geweest dan zou de elite - kerkgraven worden uitsluitend door rijken, geestelijken en 
andere hooggeplaatsten gebruikt - wel ergens anders zijn laatste rustplaats hebben gekozen. 

Kerk, dorp en parochie lijken dus gedurende een zekere tijd resp. van tijd tot tijd in "goeden 
doen" te zijn geweest. Welke oorzaken kunnen hieraan ten grondslag liggen? 



107 



Een opsomming van enkele factoren: 

• De bevolking beschikt over relatief vruchtbare grond die akkerbouw en veeteelt mogelijk 
maakt. De produkten zijn bedoeld voor eigen gebruik, voor de vereffening van schulden - 
waaronder die aan de pachtheren - en voor de handel. Bovendien maakt men artikelen en 
produkten uit wat de omliggende natuur heeft te bieden. 

• Er is voldoende schoon water voorhanden. 

• De bevolking is goed geinformeerd door de nabijheid van belangrijke internationale 
handelswegen. Dat kan worden aangetoond aan de hand van het volgende: de vroege acceptatie 
(rond 1520) van het protestantisme door monniken van het klooster Mariendaal - evenals 
Wolfheze gelegen aan de heerwech - wordt toegeschreven aan vrachtvoerders. De bevolking 
is ook goed op de hoogte door de contacten met de adel en met medeparochianen. 

• De bevolking woont bij de marktplaats die kerk en kerkhof zijn. Wellicht heeft de kerkeigenaar 
logement aangeboden aan de weggebruikers en hebben de Wolfhezenaren hun diensten 
aangeboden als de wagens pech hadden of vastliepen in de beekvoorden of op de wegen. 

• Het dorp ligt aan een kruispunt van twee zeer belangrijke verkeersaders. De Wolfhezenaren 
hebben gemakkelijk toegang tot klanten op verderaf gelegen plaatsen, zoals b. v. de kastelen van 
Rosande, Doorwerth en Renkum, de kloosters van Mariendaal en Renkum. De 16 e - eeuwse 
adel en clerus zijn "big spenders". De adel verarmt zich in een excessieve levensstijl en de 
kloosterlingen meten zich zo'n manier van leven aan terwijl zij juist steeds rijker worden. 
Mogelijk neemt het handelsverkeer na 1540 nog toe, omdat in dit jaar Wageningen toetreedt 
tot de Hanze. Arnhem is al sinds 1437 een Hanzestad, na een onderbreking van meer dan een 
eeuw. 

• De dorpelingen hebben ook toegang tot de markten in nabij gelegen grote plaatsen als 
Arnhem, Ede en Wageningen. Maar ook verderaf gelegen markten als die van Rhenen, 
Amersfoort en Harderwijk zijn bereikbaar geweest. 

• De kerk heeft inkomsten genoten uit de markthandel en er zal tol zijn geheven in het 
Wolfhezense, o.a. bij de Rondeel-landweer, ten westen van de kerk. 

Dit laatste punt - handelsinkomsten, tolgelden - behoeft nadere uitleg, want heeft te maken 
met handelspolitieke regelingen in de streek tussen Arnhem en Wageningen, bezuiden en 
benoorden de Rijn. 

Het Rijnveer op de Praats bij Arnhem is - waarschijnlijk sedert 1076 - eigendom van de kerk 
St. Pieter te Utrecht. Het veer wordt verpacht, in de 13 e eeuw aan horigen van St. Pieter en 
vanaf ca 1306 aan de families Van Arnhem en Ploech 2 . 

Als Arnhem in 1233 stadsrechten krijgt en (Nieuw) Wageningen in 1263 bepaalt de graaf van 
Gelre dat tussen Westervoort en Opheusden (tegenover Nieuw Wageningen) geen goederen 
over de Rijn mogen worden vervoerd dan alleen op de Praats en bij Opheusden. De pachters 
van het veer betalen daartoe - naast de aan St. Pieter verschuldigde pachtsom - ook een bedrag 
aan de graaf. De regeling is niet onvoordelig voor die pachters, want zij kunnen verzekerd zijn 
van meer vrachtaanbod op de beide veren 3 . 

Goederentransporten naar de Veluwe vanuit het zuiden moeten dus op een bepaald punt ten 
zuiden van de Rijn naar Arnhem of Opheusden uitwijken om daar de rivier te kunnen passeren. 
Ook ten noorden van de Rijn moet het goederenverkeer afbuigen naar Arnhem of Wageningen. 



108 



Er zijn incidentele signalen dat de naleving van deze regeling in de praktijk ook is 
gecontroleerd. 

Het is logisch te veronderstellen dat het goederenverkeer benoorden de Rijn naar en van 
Arnhem en Wageningen juist bij Wolfheze naar deze plaatsen heeft moeten afbuigen via de 
heerwech. Separaat onderzoek door deze auteur heeft aannemelijk gemaakt dat er tot aan ca. 
1600 tussen de heerwech en de Rijn geen belangrijke, doorgaande wegen zijn geweest tussen 
Arnhem en Wageningen. 

Maar er lijkt meer aan de hand te zijn. 

De familie Van Wilp lijkt in bijzondere mate van de zojuist beschreven handelspolitiek te 
hebben geprofiteerd. De Van Wilps zijn mogelijk door vererving van de familie Van Arnhem 
- de moeder van de laatste mannelijke telg uit het geslacht is Elisabeth Van Arnhem van 
Rosande - in elk geval door belening pachter van het halve veer op de Praats. Zij wonen 
in kasteel Rosande, niet ver van de Praats en kunnen het goederenverkeer over de Praats 
dus gemakkelijk (laten) controleren. De familie heeft ook leenrechten op de Wolfhezer kerk. 
Op en bij de marktplaats van de kerk wordt het geld verdiend. lets verder westelijk ligt de 
landweer, alwaar tol zal zijn geheven. 

Nog weer iets verder naar het westen kruist de heerwech met de noordzuidweg. Het is treffend 
dat juist op dit punt het Rondeel ligt: precies daar waar het verkeer op beide wegen goed kan 
worden gecontroleerd, in de zuidoost hoek van de kruising. En precies daar, op het grondgebied 
aan de oostzijde van de landweer, dat zeer waarschijnlijk tot hof Wolfheze behoort en dat in 
leenbezit is van de Van Wilps. 

Daar komt bij dat de noordzuidweg ook ten zuiden van de Rijn vrij gemakkelijk door de 
Van Wilps kan worden gecontroleerd, als zij dit zouden wensen en nodig zouden hebben. Zij 
hebben immers het bezit van de Heterense kerk en wellicht iemand ter plaatse die de controle 
kan uitoefenen. Voor de tweede helft van de 15 e eeuw zal Evert (II) Van Wilp wellicht even 
frequent in Wolfheze als in Heteren zijn geweest. Maar het lijkt dat een controlepost langs de 
noordzuidweg benoorden de Rijn voldoende is geweest. 

Onbekend is of andere leenbezitters van de Wolfhezer kerk - voor en na de Van Wilps - 
dezelfde mogelijkheden hebben gehad 4 . Daar komt bij dat het gehele stelsel in de tweede helft 
van de 16 e eeuw in onbruik zal zijn geraakt of terzijde zal zijn gesteld. De oorzaken daarvan 
komen aan de orde in het volgende hoofdstuk. 

Terug naar de oorzaken van de relatieve welvaart der Wolfhezenaren. 

De vraag is wanneer die voorspoed zich zou hebben voorgedaan. De "Gelderse Gouden Eeuw" 
tijdens het bewind van Otto II van Gelre in de 13 e eeuw kan ook Wolfheze voorspoed hebben 
gebracht. Maar, in tijden van algehele malaise kan een lokale/regionale samenleving floreren 
en omgekeerd. 

Kortom, bij gebrek aan gegevens en gelet op de geringe omvang van Oud- Wolfheze is het 
onmogelijk die voorspoed defmifief aan te tonen en in de tijd te begrenzen. 

Waarschijnlijk dateren de signalen van voorspoed uit tijden - tijdsintervallen - dat het rustig 
was op de Veluwezoom: perioden waarin geen oorlogen en confiicten zijn uitgevochten in de 
streek en de bewoners het dorp niet om lijfsbehoud hebben hoeven verlaten. 

Uiteindelijk worden tegen het einde van de 16 e eeuw het verval van de kerk en de heerwech, 
de sociale onrust en de economische verpaupering de nederzetting fataal. 



109 



NOTEN HOOFDSTUK 7 

1 . Maar als de toren is gebouwd als vluchtplaats voor de parochianen dan is er ook het negatieve 
aspect dat het dorp extra bescherming nodig heeft gehad. 

2. Verkerk meent dat de rechten op dit veer al eerder en via de omweg van hof Seelbeek en 
de Utrechtse St. Maartenskerk in handen zijn gekomen van het St. Pieterkapittel. De in 
1215 opgestelde goederenlijst van het St. Pieterkapittel in Utrecht maakt gewag van "curtis 
Selebeke ". 

Het veer op de Praats en de familie Van Arnhem: Op 19-05-1323 krijgt Wynandus Alius 
Theoderici dicti Tyke uit dit geslacht de rechten op de helft van dit veer van de St. Pieter te 
Utrecht. Na hem krijgt zijn zoon dit bezit in 1355. 22-05-1360 : Overeenkomst tussen Winand 
Van Arnhem en St. Pieter over het leenbezit van de helft van het veer. Winand betaalt J gouden 
ouden scudati, munt van Vlaanderen, pro herwada. 

Circa 1400 : Klacht van Wijnand Van Arnhem aan graaf van Gelre dat te Randwijk goederen over 
de Rijn worden gezet met het kerkschip. 11-04-1415 : Zie onder 08-05-1484. Omstreeks 1475 : 
Mogelijk heeft de hertog van Gelre de veerrechten te Arnhem aan Evert II onthouden of ze van 
hem teruggenomen. Bekend is dat Evert omstreeks dit jaar zijn loyaliteit aan Adolf van Gelre 
verwisselde voor trouw aan Karel Van Bourgondie. 08-05-1484 : St. Pieter erkent de helft van 
het veer te Arnhem in eeuwigdurende erfpacht te hebben gegeven aan Elizabeth Van Arnhem, 
weduwe Evert Van Wilp. Deze deal wordt gemaakt op basis van voorwaarden die zijn omschreven 
in een brief van 11-04-1415. Op 03-08-1485 oorkondtde stad Arnhem de overeenkomst. 04-03- 
1491: St. Pieter aanvaardt het halve veer aan de Praast als een gemortificeerd goed en vervallen 
en verzuimd leen. 27-10-1496: St. Pieter erkent de eeuwigdurende erfpacht van het halve veer 
te Arnhem op dezelfde voorwaarden als die van zijn moeder op 08-05-1484. 
17-05-1499: Evert Van Wilp neemt het halve veer te Arnhem in eeuwige erfpacht. (30-05-1501: 
Winant Van Doorninck Wz. Ontvangt het halve veer voor de stad in erfpacht. Het is niet geheel 
zeker of deze veerhelft voorheen aan de families Van Arnhem en Van Wilp heeft behoord. De 
laatste Evert Van Wilp is kort voor deze belening - op 12 maart 1505 - overleden.) 16-12-1511: 
Andries Van Wyssenich alias Bell neemt in erfpacht de helft van het veer voor Arnhem, gelijk dit, 
na doode van heer Evert van Wilp, eerst op vrouwe van Middachten (= Belye Van Middachten - 
Van Wilp, zuster van Evert) en, na haren dood, op Margareta van Arnhem weduwe van Adriaan 
van Broekhuizen verstorven was. 29-11-1516: Winand Van Arnhem neemt in eeuwige erfpacht 
het halve veer voor de stad Arnhem, welk veer door het kapittel, ten gevolge van verzuimde 
betaling, weer aanvaard was. (27-03-1572: Henrick Van Doorninck en echtgenote dragen op 
aan St. Pieter de erfpacht van het halve veer op de Praast.) 31-03-1592: Briefwisseling tussen 
de stad Arnhem en St. Pieter over de voorgenomen verkoop van het veer aan de Praast. 1601: 
Koop van het veer door de stad Arnhem. 

Deze informatie komt grotendeels uit: Coulissen van de macht van C.L. Verkerk, Inventaris 
van het oud archief der gemeente Arnhem. P. Nijhoff, 1 864 en het oud archief der gemeente 
Arnhem door D.P.M. Graswinckel. Blijkens het Archief van het burgerweeshuis te Arnhem 
1583-1914 heeft de familie Van Arnhem rond januari 1485 ook in bezit gehad het veer en de 
waard te Malburgen. 

3. Ook Arnhem en Wageningen zullen ervan hebben geprofiteerd, als ook de graaf zelf. 

4. Tenzij de familie Van Arnhem leenrechten op de Wolfhezer kerk zou hebben gehad. 
Vermeldenswaard is in elk geval dat wanneer de klok van Wolfheze in 1390/1 wordt afgewynd 
- hoofdstuk 2 - Wynandus de Arnhem domini Wynandi burgermeester is van Arnhem in 1390 
en Wynandus de Arnhem domini Gherardi in 1391. Zij behoren tot dezelfde familie Van 
Arnhem. 



110 



8. ONDERGANG VAN DORP EN KERK 

8.1. TEKENENVANVERVAL 

Eerst een opsomming van enkele gegevens en gebeurtenissen waaruit de teloorgang van kerk 

en dorp is te extraheren: 

• De (of een) kerkklok wordt in 1390/1 "afgewijnd", zie hoofdstuk 3.3. 

• De kasteelbewoners richten rond 1410 een gezinskapel in en bouwen rond 1425 een 
zelfstandige kapel. Het is duidelijk dat het aanzien van de Wolfhezer kerk niet wordt bevorderd 
als zijn pastoor in deeltijd in de kasteelkapel gaat werken en de top van de sociale pyramide 
minder vaak of niet meer in Wolfheze ter kerke komt. 

• De benoeming in 1461 van een pastoor met een belast verleden. 

• De aanval van de Galioten op Wolfheze in juli 1505. Volgens Oltmans verwoesten zij vier 
huizen, maar blijft de kerk gespaard 1 . De aanval is voor enkele inwoners van het dorp, onder 
wie koster Robert, reden om hun heil elders te zoeken. De terugloop van het inwonertal - de vier 
verwoeste huizen vormen minimaal 1/3 deel van het totale huizenbestand - en de verpaupering 
van de achterblijvers zal de positie van de Wolfhezer nederzetting en kerk hebben verzwakt. 

• Een gebeurtenis die de teloorgang van de Wolfhezer kerk aanzienlijk heeft versneld is de 
openstelling in 1519 van de kapel in Heelsum, in opdracht van Margriet Van Homoet, Vrouwe 
van Doorwerth. 

• Rond 1526 gaat het niet goed met de nederzetting. De RDO wil in 1526 onderhoudswerk 
laten doen aan de kerk, maar de aannemer moet zijn kosten vergoed zien te krijgen uit 
de offergelden. Hij krijgt althans de sleutel van het offerblok van de orde. Voorwaar geen 
vastberaden poging tot herstel. 

Maar ook de wildforsterij maakt een moeilijke tijd door. In 1526 wordt het goed door de 
vrouwe (!) van Middachten verpacht aan Woelters Willems. Het huis van Middachten heeft 
de supervisie over de Veluwse wildforsters en het feit dat de supervisor het goed verpacht 
wijst er op dat de Van Lawijcks "buitenspel" staan. 

Ook het feit dat in de pachtovereenkomst niet wordt gesproken over het wildforstergoed, 
maar over het guet Wiilfhesen is indicatief voor een slechte gang van zaken. Immers, het goed 
is wellicht geen wildforstergoed meer of is dat slechts deels. Blijkens de aantekening bij 
de belening van het goed aan Gertrud Van Lawijck zijn er ook problemen met de leenheer 
geweest. Als gevolg daarvan waren de leenrechten vervallen, maar wegens bewezen moed en 
trouw door wijlen haar man Gijsbert wordt Gertrud in de oude leenrechten hersteld. 

• Uit een kaart van 1550, weergevende de kerkelijke indeling in het Rijngebied tussen 
Oosterbeek en Wageningen, komt de Wolfhezer kerk voor als kapel, de Heelsumse kerk 
als parochiekerk en in 1561 ontstaat de parochie Heelsum/Wolfheze als vervanging van de 
Wolfhezer parochie. De kerken van Arnhem, Oosterbeek en Renkum liggen ook in het zuiden 
van hun kerspels, dicht bij de Rijn. Door de verplaatsing van de parochiekerk van Wolfheze 
naar Heelsum komt die vrijwel op een rechte lijn te liggen met de drie zojuist genoemde 
kerken. 



Ill 



• De Proceskaart uit 1553: 

- de afwezigheid van een kruis op de toren 

- de afwezigheid van een kerkhof 

- de afwezigheid van een pad naar een kerkingang, terwijl alle andere opstallen wel een 
toegangspad hebben. 

• De beeldenstorm (1566 en heroplevingen in 1572, 1580 en later) is waarschijnlijk aan 
de kerk voorbijgegaan. Maar het opkomend protestantisme heeft zeker bijgedragen aan de 
ondergang van de kerk, al was het alleen maar omdat de daarmee gepaard gaande onzekerheden 
niet hebben uitgenodigd tot restauratie van het vervallen kerkgebouw. In 1582 besluit het Hof 
van Gelre dat de niet-katholieke godsdienst de enig toegelaten vorm van eredienst is en in 
1 587 volgt een verbod op de Heilige Mis, het toedienen van de doop op katholieke wijze en de 
katholieke huwelijkssluiting. Daar komt bij dat de bevolking volkomen verpauperd en de adel 
verarmd en decadent is, terwijl de kerk als instituut door langdurig moreel en zedelijk verval 
ontwricht is. 

Nu de feitelijkheid van de teloorgang van Wolfheze is gebleken moet eerst worden gezocht 
naar een samenhangende verklaring van de daaraan ten grondslag liggende verbanden en 
factoren. 

• Een van de onderliggende oorzaken is mogelijk absentei'sme van de grondeigenaar of de 
leenbezitter. De kerk resp. hof Wolfheze is - althans in de Late Middeleeuwen - tot aan zijn 
ontmanteling ononderbroken in eigendom of bezit geweest van de huizen Van Montfoort, Van 
Wijhe, Van Wilp en van de RDO of diens landcommandeur, die alien hun domicilie elders 
hebben. Leenheer noch leenmannen gaan in Wolfheze naar de kerk en hebben dus geen direct, 
persoonlijk belang bij een goed functionerende kerk. Wellicht gaat dat laatste minder op voor 
de tweede helft van de 15 e eeuw wanneer de laatste Evert Van Wilp de kerk in bezit heeft. 

De wildforsterij kent in goede tijden waarschijnlijk minder absentei'sme, maar heeft zeker 
perioden van stagnatie en achteruitgang meegemaakt. Zo is het goed rond de overgang van de 
15 e naar de 16 e eeuw gedurende tientallen jaren verwaarloosd en wellicht zelfs niet bewoond 
geweest. Ook is belangrijk dat de leenbezitters van hof en wildforstergoed in elk geval in de 
15 e en 16 e eeuw elkaar frequent afwisselen en dat sommigen oud of armlastig zijn. Ook hierop 
vormt de periode van Van Wilp v.w.b. hof Wolfheze waarschijnlijk weer een uitzondering. 

• Vanaf 1501 is de landcommandeur van de RDO namens de orde de leenman van de kerk. 
Onderneemt de orde in 1526 geen vastberaden poging tot herstel, zoals hiervoor gezegd, een 
belangrijker conclusie is dat de RDO zijn handen aftrekt van de kerk, althans in fmancieel 
opzicht. De orde hangt de rooms katholieke leer aan tot in 1637, lang nadat de reformatie de 
bestuurslagen heeft bereikt. Het is aannemelijk dat de orde hierdoor vanaf medio 16 e eeuw 
geen krachtige rol heeft kunnen spelen met betrekking tot de kerk. Overigens, het is weinig 
waarschijnlijk dat de RDO ooit en uberhaupt een sterke rol heeft kunnen vervullen in Wolfheze 
of elders. Het ontbreekt de organisatie aan (machts)middelen om zijn belangen - zijn pachters, 
opstallen en gronden - veilig te stellen. 

• De kerk heeft altijd een gei'soleerde ligging gehad en heeft zich in tijden van gevaar nimmer 
onder de bescherming kunnen stellen van een land- of kasteelheer. 

• De rol van huis Doorwerth. 

Het aanzienlijke huis Doorwerth is de Wolfhezer kerk, althans diens eigenaren en bezitters, 
niet goed gezind. De heren van Doorwerth zijn bepaald machtsbelust 2 . 



112 



Waar hun gebied aan de zuidkant door de Rijn wordt begrensd zal het voor hen geen genoegen 

zijn geweest dat zij het grondgebied van hun heerlijkheid - tot ver in de Nieuwe Tijd - niet 

noordwaarts hebben kunnen uitbreiden. 

Immers, zij stuiten dan o.a. op de gronden van de Wolfhezer wildforsterij en van hof Wolfheze. 

Demoed toont aan de hand van het Leenboek 1413-1518 aan dat huis Doorwerth zeer 

omvangrijke lenen heeft, maar geen in de strook gebied tussen de Rijn en Oud - Wolfheze. 

Hij ziet echter wel over het hoofd de belening uit 1402 ...met den bossche dat daer t o hoort, 

gelegen in den kerspel van Wolffhesen ende van Oosterbeeck. 

(De leengoederen de Sonnenberg en Oorsprong van huis Doorwerth liggen verder oostwaarts). 

In 1602 ligt de noordgrens van de heerlijkheid Doorwerth ettelijke kilometers bezuiden 
het wildforstergoed en hof Wolfheze. In 1616 ligt deze grens aanzienlijk noordelijker. De 
wildforsterhoeve ligt dan waarschijnlijk niet binnen de heerlijkheid, verschillende heggen 
ervan wel. Ook hof Wolfheze valt geheel buiten de heerlijkheid. 

Hierbij moet worden opgemerkt dat a/ er twijfels kleven aan de juistheid van deze kaart, die 
waarschijnlijk uit politieke motieven is ontstaan en b/ de tekst van Demoed (pag. 27) als zou 
de noordgrens van de heerlijkheid samenvallen met de Zwarte Weg (= de oude heerwech) niet 
juist is. Op zijn kaart 10 is duidelijk te zien dat de (vermeende) noordgrens ruim ten zuiden 
van de Wolfhezer kerk loopt om de heerwech 1 a 2 km ten zuidwesten van de kerk te raken. In 
1672 valt hof Wolfheze nog altijd niet binnen de grenzen van Heerlijkheid Doorwerth en het 
wildforstergoed waarschijnlijk slechts deels 3 . 

Ook heeft huis Doorwerth geen heggen in de onmiddellijke nabijheid van Wolfheze. Kaart 
6 van Demoed laat zien dat de meest noordelijk gelegen Doorwerthse heg - de Silverbergh 
hegge - in 1616 toch nog ruim een km van hof Wolfheze en de wildforsterij is verwijderd. In 
het laatste kwart van de 17 e eeuw krijgt huis Doorwerth erfpachtrechten op hof Wolheze, wat 
niet betekent dat er sprake is van een uitbreiding van de heerlijkheid Doorwerth. 

De heren van Doorwerth zullen het evenmin aangenaam hebben gevonden dat hun heerlijkheid 
geen eigen kerk heeft. Het gevolg daarvan is al even onplezierig: anderen - de huizen Van 
Montfoort, Van Wijhe en Van Wilp en de RDO of diens landcommandeur - bepalen wie hun 
pastoor zal worden. 

Hoe gevoelig dit ligt is wel gebleken in de al geschilderde pastoorskwestie in 1554-1556 te 
Heelsum. Maar eerder al - in 1436 - ontstaat een conflict tussen huis Doorwerth en Van Wilp, 
als deze laatste hof Wolfheze in leen krijgt, terwijl huis Doorwerth meent er rechten op te 
kunnen laten gelden. 

Zijn de heren van Doorwerth passief gebleven in deze situatie? Het lijkt er niet op. 
Zoals al vermeld krijgen Robert Van Doorwerth en zijn vrouw omstreeks 1410 toestemming 
van de bisschop om een gezinskapel in te richten. Tot dan toe gaan de kasteelbewoners in 
Wolfheze ter kerke. Althans, zij behoren dat - strikt kerkrechtelijk genomen - te doen want 
de pastoor heeft in zijn parochie een zielzorgmonopolie en de parochianen zijn verplicht de 
zondagsmis in de parochiekerk bij te wonen. Echter, de kasteelbewoners bezoeken 66k de 
Oosterbeekse kerk. De kerk krijgt herhaaldelijk steun van het huis. In 1416 schenkt Jutte Van 
Asperen aan het altaar van de kerk, gewijd aan God en de Heilige Maagd, enige goederen 
voor het zieleheil van haar overleden man Robert. 

Blijkbaar heeft de Wolfhezer kerk niet de onverdeelde toewijding van huis Doorwerth. 

Omstreeks 1425 laat huis Doorwerth een zelfstandige kapel bouwen en het ligt voor de hand 
dat nu ook bedienden en andere parochianen niet meer of minder naar de kerk in Wolfheze 
zullen gaan. 

113 



In de in 6.5. behandelde schuldbekentenis van Johan Van Hemert en zijn vrouw wordt 
gesproken over depastoor tot Wolfhesen ende tot Helsom. Maar deze pastoor is ook de pastoor 
van de heerlijkheid Doorwerth en dat wordt nu juist onvermeld gelaten. Blijkbaar wil het 
echtpaar dit gegeven verdoezelen. 




¥ ■ -&^mW 32&0R.2TWXMM& v**i mwwt.jpff. 



Een ander voorbeeld dateert van 23 maart 1498, als Sophie Van Bijland van Doorwerth aan de 
Arnhemse St. Walburgkerk de helft van de grove en smalle tiend te Randwijk schenkt voor 
twee memorieen op haar graf (in de kerk) en vier wekelijkse missen op het Heilig Kruisaltaar; 
de schenking wordt begroot op soeventien golde Franckrixe erffelicker reynten*. 

Het is te begrijpen dat Sophie voor haar graf de voorkeur geeft aan een stadse kerk boven een 
dorpse. Maar uit de oorkonde blijkt dat zij en haar beide echtgenoten deze kerk al lange tijd 
bezoeken. 

Huis Doorwerth had - als parochiaan - de kerk in Wolfheze moeten ondersteunen. Wellicht 
is die steun er ook wel geweest, klaarblijkelijk in onvoldoende mate. Maar elke steun die 
huis Doorwerth aan de kerk zou hebben verleend zou in feite een vergoeding zijn van de 
nalatigheid van de huizen Van Montfoort, Van Wijhe, Van Wilp en de RDO. 

In 1 5 1 9 wordt de nieuw gebouwde kerk van Heelsum opgeleverd. Het valt op dat de kapel snel 
aan status wint. Relatief kort na zijn inwijding wordt de kapel tot parochiekerk opgewaardeerd 
en in 1 546, maar mogelijk al eerder, heeft de kerk een koster, Evert Henricxs 5 . 

Bisdom Utrecht en huis Doorwerth hebben, gegeven de deplorabele staat van de Wolfhezer 
kerk, duidelijk een gezamenlijk belang. Het bisdom heeft hoogstwaarschijnlijk geen 
zeggenschap over de Wolfhezer kerk en evenmin over de Heelsumse kerk, maar heeft er wel 
belang bij een vervallen kerk te "ruilen" voor een splinternieuwe dichtbij. Het voordeel voor 
huis Doorwerth is dat het eindelijk een eigen kerk binnen zijn heerlijkheid krijgt en dat het 
pastoors van eigen keuze ter benoeming door de kerk kan voordragen. Bovendien is de afstand 
tussen de Heelsumse kerk en de dochterkerk te Heteren korter dan die tussen de kerken van 
Wolfheze en Heteren. 



114 



Onnodig te zeggen dat de Heelsumse kerk sterk ten nadele van die van Wolfheze heeft gewerkt 
en dat niet alleen in termen van aantallen kerkbezoekers. Het Heelsumse godshuis zal handel 
hebben weggekaapt van zijn Wolfhezer concurrent. Immers, het ligt op twee km afstand van 
de noordzuidweg en aan dezelfde heerwech als de Wolfhezer kerk. Tussen Westervoort en 
Opheusden zullen nog steeds geen handelsgoederen over de Rijn mogen worden vervoerd en 
de kapel ligt iets gunstiger t.o.v. het veer Wageningen/Opheusden dan de Wolfhezer kerk. 

Deze aspecten zijn voor de heer van Doorwerth ongetwijfeld mede bepalend geweest om zijn 
kerk juist daar te bouwen en niet dichter bij de grootste woonkern van de parochie, het kasteel 
en zijn directe omgeving. Het bisdom is om die reden wellicht even content geweest; de kerk 
staat aan de grens van het parochiegebied, zie 2.1. 6 

8.2 DE ONDERGANG 

Groneman en andere Wolfheze-auteurs suggereren dat de Wolfhezer bevolking omstreeks 1587 
is weggetrokken. Alle auteurs leggen een direct verband tussen het vertrek van de bewoners en 
de vermeende verwoesting van kerk en dorp door Spaanse troepen in 1585. 

Op grond van deze studie wordt een andere oorzaak voor de ondergang van kerk en dorp 
voorgesteld. Niet een enkele oorzaak - verwoesting door Spaanse troepen in 1585 of 1624 - 
maar een langgerekte teloorgang. 

Het verval slaat vooral toe in hof Wolfheze. Het wildforstergoed beleeft ook moeilijke tijden, 
maar blijft - soms met intervallen - functioneren. 

De in 8.1 genoemde symptomen van verval doen zich aanvankelijk voor op verschillende 
terreinen en gespreid in de tijd. In de loop van de 16 e eeuw komen de negatieve factoren samen, 
bei'nvloeden en versterken elkaar en brengen kerk, dorp en parochie zo zeer in de knel dat de 
ondergang uiteindelijk niet meer is te vermijden. Op een gegeven moment - waarschijnlijk 
omstreeks 1600 - wordt een "point of no return" bereikt en bezegelt een kortstondig verblijf 
van de troepen van Van den Bergh in de winter van 1624 het lot van de kerk. 

Het is onduidelijk op welk moment in de geschiedenis de teloorgang van de kerk begint. 
Is het gegeven dat de torenklok in 1391 wordt "afgewijnd" een eerste indikatie? 

Hoe dat ook zij, de voor de kerk negatieve ontwikkelingen vanaf de eerste helft van de 15 e 
eeuw zijn evident. Wordt dit tijdvak gezien als het begin van de aftakeling dan zou deze tot 
aan de sloop van het gebouw in 1624 omstreeks twee eeuwen hebben geduurd. 

Bezien tegen deze achtergrond is het opvallend dat de huizen Doorwerth en Van Wilp beiden 
in 1436 interesse hebben in een leen op de kerk en de omliggende gronden. 
De laatste Evert Van Wilp moet in de 2 e helft van de 15 e eeuw zijn rechten op de kerk 
herhaaldelijk binnen zijn familie - met name zwager Arnt Van Middachten en zus Belia Van 
Wilp - verdedigen. Dat behoeft het echtpaar niet te doen om de erfenis voor kinderen veilig 
te stellen, want het huwelijk is kinderloos gebleven. De RDO is in 1501 gei'nteresseerd in een 
belening en krijgt die ook. In 1546 en 1560 hebben Johan Stratius resp. zijn zoon Anthonis 
belangstelling voor pachtrechten. 

Met andere woorden: er blijft belangstelling voor de kerk, terwijl toch de tekenen van verval 
er zijn en toenemen. Mogelijk heeft de laatste Evert Van Wilp nog in de kerk geinvesteerd: een 
crypt, de geschilderde ramen misschien of zelfs een leien dak. 

Waarom, waardoor heeft de teloorgang zo'n lange tijd gevergd? 



115 



Er lijkt maar een verklaring mogelijk, een financiele. 

Kerk en omgeving lijken in de 1 6 e eeuw en in het begin van de 1 T eeuw een soort "wingewest" 

te zijn geweest voor de leenmannen. 

De gronden van hof Wolfheze kunnen door hun gunstige ligging voor relatief veel geld en 

tegen gunstige voorwaarden worden verpacht. 

De kerk is als godshuis gedurende een zekere, onbekende tijd in verval geweest, wellicht 
tot aan of kort na 1526, maar in elk geval tot een tijdstip voor 1553, waarna het gebouw 
zijn funktie als plaats van godsdienstuitoefening heeft verloren. De reden waarom Johan 
Stratius in 1545 geen kerkgifterechten in pacht heeft gekregen is onbekend. Wellicht heeft 
dat te maken met het gegeven dat die rechten op de Heelsumse kerk rusten, in casu bij huis 
Doorwerth, maar er kan een andere reden zijn, b.v. dat Stratius, alhoewel hooggeplaatst, niet 
tot de adel behoort. 

Als marktplaats is het gebouw echter langer in gebruik gebleven, waarschijnlijk tot omstreeks 
het begin van de 1 7 e eeuw. 

Dan ongeveer implodeert het in 7.2. beschreven handels- en vervoersstelsel tussen Arnhem 
en Wageningen. 

De invloed van de graaf van Gelre neemt af wanneer in 1543 Gelre wordt opgenomen in de 
Habsburgse Nederlanden onder Karel V. 

Als gevolg van de voortschrijdende reformatie in de 2 e helft van de 16 e eeuw neemt vervolgens 
de rol van St. Pieter als pachtheer van het veer op de Praats af. 

In 1 60 1 koopt de stad Arnhem het veer op de Praats van St. Pieter en legt in 1 603 de schipbrug 
aan. 

Het vrachtvervoer van en naar Arnhem heeft in de 1570-er jaren te lijden door de Spaanse 
bezetting van de stad. Ook heeft de stad te maken met uitbraken van de pest (1565, 1574) 7 . 

De noordzuidweg zal meer vrachtvervoer te verwerken krijgen. De heerwech wordt 
ondertussen ook minder aantrekkelijk doordat het klooster Mariendaal in 1587 wordt gesloopt, 
de Wolfhezer kerk vervalt en het Mariaklooster te Renkum in 1584/5 wordt verwoest. Mede 
ten gevolge daarvan komt de Utrechtseweg tot ontwikkeling. 

Een kortstondig verblijf van de soldaten van Van den Bergh betekent tenslotte de genadeklap 
voor het gebouw in Wolfheze. Mogelijk - waarschijnlijk - hebben zij er grote vuren 
aangelegd. 

En de dorpelingen? Wat is er van hen geworden? 

Het is heel wel mogelijk dat zij wegtrekken wanneer de heerwech minder wordt gebruikt, dus 

al voor 1624. Dat leidt immers tot een nog verdere isolering van de nederzetting en tot verdere 

bemoeilijking van de afzetmogelijkheden van hun produkten. 

Voeg daarbij de algehele verpaupering van de maatschappij, de onrust rond de reformatie en 

de opstand tegen Spanje en er lijken voldoende redenen voor de dorpelingen om voorgoed 

weg te trekken. 

Zo zal er een einde zijn gekomen aan een eeuwenoud godshuis en een even oude marktplaats, 
als ook aan de nederzetting van hof Wolfheze. 



116 



Een nederzetting die - klein qua oppervlak en inwonertal - zijn bestaan grotendeels te danken 
heeft gehad aan een kruispunt van belangrijke wegen en aan een romaans kerkje, gebouwd 
door een onbekende bouwheer in de Voile Middeleeuwen. 

Een nederzetting die vanaf het einde van de 15 e eeuw een kwijnend bestaan heeft geleid. 

Een nederzetting boven de groene Veluwezoom en op de rand van het vale Veluwekleed. 

NOTEN HOOFDSTUK 8 

1. Demoed zegt dat er door de Galioten veel is vernield, maar dat kerk en burcht gespaard zijn 
gebleven. Roorda van Eysinga zegt dat een groot aantal huizen is platgebrand inclusief alle 
boerderijen op Heer Arndt Enck, dat die huizen nimmer zijn herbouwd en dat de bewoners de 
wijk hebben genomen; over de kerk en de burcht zwijgt hij. 

2. Daarvoor zijn tal van literatuurplaatsen aan te wijzen. Het is voorts denkbaar dat de kerk van 
Wolfheze een directe concurrent is geweest van kasteel Doorwerth. Niet alleen kerken hebben 
een rol gehad als marktplaats en logement, ook kastelen deden dat. Zo kan het verkeer op de 
noordzuidweg na 1600 de keus hebben gehad handel te drijven en te logeren te Doorwerth of in 
Wolfheze. Het kasteel is voor een marktplaats gunstig gelegen. 

3. RAG, Oud Rechterlijk Archief Doorwerth, inv. nr. 3. 

4. Eenige bijzonderheden aangaande de St. Walburgskerk te Arnhem door A.J. Maris in Bijdragen 
en Mededelingen, dl XL, 1937. 

5. In dit jaar is hij 52 of 53 jaar oud en hij is gedurende 30 jaar of langer als koster in Oosterbeek 
en Heelsum geweest. 

6. Het strategische belang van deze lokatie blijkt b.v. ook een brief van 4 juni 1591 van het 
stadsbestuur van Rhenen aan de staten van Utrecht. Daarin worden voorstellen gedaan om 
de vijand te beletten vanuit het zuiden tussen Wijk bij Duurstede en Arnhem over de Rijn te 
trekken. Het bestuur adviseert de Rijn te blokkeren d.m.v. schuyten en boyten, cleyn en groot. 
en raadt verder aan En dat uwe U. mede gelieuen te leggen xxx ofte xl soldaten tot Elst, jn een 
steenen earner (huis), als oick zeeckere soldaten jnde kerk tot Helsem, zoe opte voorss. twee 
plaetsen die meeste ouervaerten van vyant geschieden. Bron: Kronijk Historisch Genootschap 
te Utrecht, jaargang 1862. 

7. Arneym. Tachtigjarige oorlog. Download februari 2008. 



117 



118 



9. POSTSCRIPTUM 

De ondergang van het dorp Wolfheze is niet totaal geweest. 

In feite is alleen hof Wolfheze ten onder gegaan: enkele pachtboerderijtjes en de 

parochiekerk. 

Maar het is wel de hof waardoor Wolfheze een zekere - beperkte - bekendheid heeft verkregen 

in de Middeleeuwen. En het is vooral de hof die enkele historiografen - ver in de Nieuwe Tijd 

- tot nader onderzoek hebben gebracht. 

Het wildforstergoed, de grootste van de twee boerengemeenschappen die Oud- Wolfheze 
hebben gevormd, is blijven bestaan. 

Het goed wordt in toenemende mate een buitenplaats van gegoede - soms Arnhemse - 

families. 

Daardoor neemt wel de agrarische aktiviteit en de bosexploitatie van het goed af. In 1726 

neemt huis Doorwerth het goed in bezit neemt en wordt de bosbouw weer intensiever ter hand 

genomen. De oorspronkelijke wildforsterfunctie raakt steeds verder uitgehold, totdat in 1795, 

tijdens de Bataafse Republiek, het goed deze functie ook in formele zin verliest. 

Daarna valt het uiteen onder verschillende eigenaren. 

Kortom, de agrarische functie van Wolfheze en de bosexploitatie in het oostelijk deel van het 
dorp nemen na medio 17 e eeuw geleidelijk af. 

Het wegvervoer Arnhem-Wageningen neemt een zuidelijker route, de huidige Utrechtseweg. 

Het gevolg van een en ander is dat de natuur weer bezit neemt van grote delen van het 

gebied. 

Het raakt in de vergetelheid. 

Totdat - in het midden van de 19 e eeuw - er weer belangstelling ontstaat voor het gebied. 

In de geschriften vanNijhof (1828) en Heldring (1840) wordt o.a. het Wolfhezer natuurschoon 
beschreven. Even daarna wordt de aanleg van de spoorlijn Utrecht-Arnhem voltooid, waarbij 
Wolfheze zijn eigen station krijgt. De z.g. Zendingsfeesten in de vroege 1860-er jaren op 
het voormalige wildforsterij gebied zijn erg druk bezocht geweest. De bekende Oosterbeek- 
schilders, voorlopers van de Haagse School, kunnen in dit verband niet onvermeld blijven. 
Zij hebben ongetwijfeld bijgedragen aan de bekendheid van het gebied tussen Oosterbeek, 
Wolfheze en Doorwerth. 

Het opgravingsonderzoek naar de middeleeuwse parochiekerk van Wolfheze in 1893 door de 
Oosterbeker Groneman trekt velen naar het gebied, evenals de renbaan nabij het benzinestation 
De Slenk aan de A50. 

Toch gaat het bij dit alles om incidenteel opborrelende - toeristische - belangstelling. 

De vestiging tenslotte van het Psychiatrisch Ziekenhuis (1907) en het Blindentehuis (1912) in 
Wolfheze heeft geleid tot de bouw van een geheel nieuw dorp: het huidige Wolfheze, ettelijke 
honderden meters benoorden de voormalige hof Wolfheze en het wildforstergoed. 



119 



120 



BELANGRIJKSTE BRONNEN 

De in de noten genoemde literatuurplaatsen geven specifiek de bronnen weer van de 
desbetreffende tekstgedeelten. De hieronder vermelde referenties betreffen meer algemene 
literatuur. Een auteur of bron kan in beide categorieen voorkomen. 

1. Auteurs 

ALBERTS, W.J. 

Van Heerlijkheid tot Landsheerlijkheid, 1978. ISBN 90 232 1579 6. 
ARCHEOLOGISCHE WERKGEMEENSCHAP VOOR NEDERLAND. 

Diverse publikaties in het orgaan Westerheem verschenen in de periode 2001 tot 

einde 2007. 
BAGGEN, J. 

Beeld van een kerk. Uitg. Deventer Dagblad Combinatie, 1992. 
BERG, J.M. VAN DEN 

Magnalia Dei, de geschiedenis van het kerkelijk Doorwerth-Heelsum. 

Uitg. Hervormde Gemeente Doorwerth-Heelsum, 1976. 
BERKEL, G. VAN e.a. 

Nederlandse plaatsnamen. De herkomst en betekenis van onze plaatsnamen. 

Uitg. Prisma Informatief, 1° druk 1995. ISBN 90-274-4059-X. 
BORMAN, R.T.A. 

Archeologie in Gelderland. Uitg. Terra, Zutphen. ISBN 90.6255.0908. 
DEMOED, E.J. 

1. Van een groene zoom aan een vaal kleed, nr. 3. Uitg. Gysbers & van Loon, Arnhem, 
1973. (Heruitgave) 

2. Nederl. Hervormde Kerk te Oosterbeek, 1949. 
DOLDEREN, G. VAN 

1. Geschiedenis van 't oude Wolfhees en het dorp Wolfheze 1900-1940. 
Uitg. Repro-Holland 1977, Alphen a/d Rijn. 

2. Het plaatsnamenboek van de Veluwe. Uitg. Gysbers & van Loon, 1992. 
DULK, PR. DEN 

Mariendaal van klooster tot laboratorium. Uitg. Bedrijfslaboratorium Grond- en Gewasonderzoek. 
ERKENS H.C.J. 

Uit de oude doos. Uitg. Kontrast, Oosterbeek 1997. 
FRUIN, R. e.a. 

Catalogus van het archief der heren van Montfoort. Uitg. A. Oosthoek, Utrecht 1920. 
GARDENIERS, J.J.R 

De vroegste kerkenbouw in Gelderland. 

Lezing voor de Archeologische Werkgroep Nederland Afd. 17. Arnhem, 14-01-2004. 
GEERTOT OUDEGEIN, J.J. DE 

Archieven der Ridderlijke Duitsche Orde Balie van Utrecht, 1871. 
GLAZEMA, P. 

Gelre's Bijdragen en Mededelingen, deel 51 pag. 63 e.v. 
GRONEMAN, H.J.H. 

De bouwval te Wolfhezen en wat er gevonden werd. 

1. Manuscript in transcriptie door J.P.H.T Michiels. 

2. Publikatie in Eigen Haard 1894, pag. 133 e.v. 

3. Gelders Archief, Blok 0508, inv. nr. 328. 

4. Ingezonden brief Arnhemsche Courant 4 juli 1893. 
HEGENER, M. 

Archeologie van het Landschap. Uitg. Contact 1995. ISBN 90-254-1432-X. 



121 



HEIDINGA, A. H. 

1 . De Veluwe in de Vroege Middeleeuwen; Aspecten van de nederzettingsarcheologie van 
Kootwijk en zijn buren, I, II en III. Academisch proefschrift, mei 1984. 

2. Zie noten 

HELDRING, O.G. en GRAADT JONCKERS, R.H. 

De Veluwe. Eene Wandeling. Herdruk 1969 naar de uitgave van 1841. 
HINSBERGEN, P.J.C.G. VAN 

Inventaris van het archief van de Ridderlijke Duitsche Orde Balije van Utrecht 

1200-1811 
HOUKES, R. 

1 . Onderzoek naar relaties in de verspreiding van grafheuvels uit het laat-neolithicum en de 
bronstijd in het kaartgebied van Arnhem-Renkum, kaartblad 40a, noordelijk deel. 

2. Opgegraven verleden van Gelderland, pag. 133. 

3. Emailwisseling in april 2003 en oktober 2007. 
HUISMAN, J. 

Gezicht op de geschiedenis van Wageningen. 
Historische Reeks Vereniging "Oud- Wageningen", nr. 2/1983. 
JANSEN, H. 

1. Het Stratius Rondeel van Oud - Wolfheze, Schoutambt en Heerlijkheid 4/2003. 

2. Wolfheze wat zegt een naam?, Schoutambt en Heerlijkheid 3/2004. 

3. De kerk van oud- Wolfheze ca. 1000-1624. Een orienterend onderzoek. Eigen uitgave, 
voorjaar 2005. 

4. Het wildforstergoed van oud- Wolfheze. Ongepubliceerd werk. 

5. De landroute(s?) Arnhem- Wageningen in Middeleeuw en Nieuwe Tijd. Ongepubliceerd 
werk. 

KOK, H.L. e.a. 

Begraven & Begraafplaatsen. Monumenten van ons bestaan. Uitg. Stichting Teleac, 1994. 

ISBN 90-6533-371-1. 
KUTTNER, E. 

Het hongerjaar 1566. Uitg. Querido, 1974. ISBN 90 214 30290. 
KUYS, J. 

Kerkelijke organisatie in het middeleeuwse bisdom Utrecht. Uitg. 2004 Valkhof Pers, 

Nijmegen; ISBN 90 5625 172 4. 
LAWICK, H.C.G. BARON VAN 

Enige opmerkingen naar aanleiding van de genealogieen van Van Spaen, voorzover betreft 

de eerste zes generaties van het geslacht van Lawick. De Nederlandsche Leeuw 1953, 

211-216. 
LEYDEN, F. 

1. Oude wegen op de Veluwe. Bijdragen en Mededelingen 1940, dl 43. 

2. Oude wegen op de Veluwe. Een aanvulling. Bijdragen en Mededelingen 1941, dl 44. 

3. Landweren en wachtplaatsen in Gelderland. Bijdragen en Mededelingen, 1942, dl 45. 
MED, P.J. e.a. 

Geschiedenis van Gelderland 1492-1795. Uitg. De Walburg Pers, 1975. 
MEIJER, F. 

Pruyscher saken. Duitse Orde-ridders en Pruisen in "Niederlander im Ostseeraum und der 

Deutsche Orden". Download oktober 2005. 
MICHIELS, J.P.H.T. 

Oud- Wolfheze. De geschiedenis van een dorp aan de Veluwezoom. Wageningen 1996. 
MILIS, L. e a. 

De Heidense Middeleeuwen. Uitg. Kok, Kampen 1992. ISBN 90-242-6153-8. 



122 



NIJHOFF, IS. AN. 

1. Wandelingen in de omstreken der stad Arnhem. Uitg. P. Nijhoff, Arnhem 1828. 

2. Het Wilhelmus te Eede in 1624. Geldersche Volksalmanak 1859. 
OLTMANS, ALB. 

1. Het landgoed Wolfhezen. Een verdwenen dorp. Uitg. Romijn, Oosterbeek, 1922. 

2. De kerken te Wolfhezen en te Heelsum in het kerspel Wolfhezen. Bijdragen en 
Mededelingen, deel XXVI, 1923. 

OOSTVEEN, J.W., e.p. 

Velua Catholica, eerste deel 600 -1600. Eigen uitgave. 
OTTEN, D. 

Het plaatsnamenboek van de Veluwe. Uitg. Gysbers & van Loon, 1992. 

ISBN 90-6235 073-9. 
RIDDER,T. de 

Vereeuwigd landschap. Wandelen door schilderachtig Wolfheze. 

Archeologische routes inNederland 24. ISBN 90 -7604 -61-31. 
ROLAND, M. e.a. 

De Veluwe. Een verkenning van de zuid Veluwe. Uitg. Elmar. ISBN 90-6129-523-9. 
ROMERS, H. 

De bouwgeschiedenis van de oude kerk te Oosterbeek. 
ROORDA VAN EYSINGA, N.P.H.J. 

De Veluwezoom. Ontwikkeling, bewoning, vegetatie en hun onderlinge invloed vooral in 

het gebied van Renkum. Ongedateerd werk >1949. 
SCHEVICHAVEN, H.D.J. VAN 

Kerkgebouwen op het latere Geldersche grondgebied voor 1300. Gelre's Bijdragen en 

Mededelingen, dl. 18, 1915. 
SCHULTE, A.G. 

1. De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. Ykpunt van de stad. Uitg. Matrijs. 
ISBN 90-5345-055-6. 

2. Kerken in Gelderland. Uitg. Walburg Pers. ISBN 90 601 1 959 2. 
SCHUIJF, J. 

Heidens Nederland. Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden. Uitg. Matrijs, 

1995. ISBN 90-5345-063-7. 
SLICHTENHORST, A. van 

Geldersse Geschiedenissen. 
STICHTING OUDE GELDERSE KERKEN 

Diverse publikaties. 
TIEMENS, W.H. 

Een duizendjarige kerk. De Ned. Hervormde Kerk in het Benedendorp van Oosterbeek. 

Uitg. Oosterbeek ca. 1977. 
TIMMERS, J.J.M. 

Christelijke Symboliek en Iconografie, 8< druk. ISBN 90-2284-401-74. 
VERBEEK, D. en GORTEL, H. van 

De Geschiedenis der Neder- Veluwe, Deel 1 Ede en Omstreken, 1888. 
VERKERK, C.L. 

Coulissen van de macht. Hilversum, 1992. ISBN 90-6550-246-7. 
VLIERDEN, M. van 

Willibrord en het begin van Nederland. Uitg. Clavis/Museum Catharijneconvent 1995. 

Stichting Publikaties Middeleeuwse kunst. ISBN 90-7561-601-5. 
WESTERINGH, W. VAN DE 

Tabula Batavorum 1981/2. 

Nieuwsbrief Kring Kesteren e/o, augustus 2002. 

Korrespondentie 2006/2007. 



123 



2. Overige bronnen 

Archief van het aartsbisdom Utrecht. Jaargangen 1874 -1957. 

Archief voor de Geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland. Jaargangen 1959-1970, 

1976-1991. 



124